is toegevoegd aan uw favorieten.

Rijcklof van Goens, commissaris en veldoverste der Oost-Indische Compagnie, en zijn arbeidsveld, 1653/54 en 1657/58

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan die plaats is bij niet gekomen. Wel had hij plan zijn leger bij dat van de Compagnie te voegen en de werken om Colombo te komen inspecteeren. maar zijn „indispositie en qualyck varentheflt verhinderden hem zijn voornemen uit te voeren. l) Aangespoord werd hij natuurlijk ook niet. daar de Nederlanders de vesting liefst zonder de hulp van zijn krijgslieden zouden nemen.

De verhouding tusschen den keizer en de Compagnie was overigens gedurende het beleg voortreffelijk. Huift kreeg zelfs een door den vorst eigenhandig geschoten eland cadeau, en stuurde den koning eenige druiven. *) Kleine, intieme geschenken, als bewijzen van groote vriendschap. Hoe meer de val van Colombo naderde, hoe hartelijker de betuigingen werden van de vriendschap en hoogachting, die Raja Singha voor den veldheer koesterde. Huift was zijn „welbeminde en zeer geliefde directeur-generaal", niet iemand, dien men begiftigt met de sieraden des Üchaams, maar die de eerbewijzen ontvangen moet verschuldigd aan „des Majesteits Directeur-Generaal", zijn aller getrouwste dienaar, dien hij „oyt zijn leven hadde beleeft De keizer beval zijn veldheer zich niet aan gevaren bloot te stellen, „want bij verlies van zijn Perzoon. zou de Paarl van Zijn Majesteits oogen verlóren werden." *) .

In Januari al had de vorst te kennen gegeven, dat hij Huilt aan zijn hof wilde zien. welke uitnoodiging deze in Februari had aangenomen, tot groote vreugde van den keizer: „Met de komste van U E. Perzoon. wanneer voor mij verschijnen, zal mij inbeelden, dat geheel Hollandt voor mij staat"*) Den eersten April, toen de maharadja te Reygamwatte was. stuurde hij een paar van de hoogste dessaves met groot gevolg om den directeur-generaal naar het hof te geleiden. „Godt geleijde U.E. ende brenge U.E. voor mijn Keyzerlijke oogen met Zijnen Goddelijken zegen, na welcke gewenschte uure ende dagh en goede komst mijn Keyzerlijke oogen van vreughde ende blydschap huppelen en springen, en 't gene U.E. dan voor mij zult spreken zal lieflijk musijck en snarenspel in mijn ooren zijn. )

» Brieven van Raja Sngha, 18, 22 April 1656. (Baldaeus, Ceylon. p. 103. 111. H3 vlg.)

? S$S£2SZ 'anoden gezant Ysbrand Godsken ± 23 Maart 1656: Baldaeus.

**V Brief van 20 Jan. 1656. (Baldaeus, p. 83. Ferguson. Correspondence p. 225.) o) Brief van Raja Singha van 1 April 1656. (Baldaeus, p. 100 vlg.)