is toegevoegd aan uw favorieten.

Rijcklof van Goens, commissaris en veldoverste der Oost-Indische Compagnie, en zijn arbeidsveld, 1653/54 en 1657/58

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

October 1620 als directeur van den handel te Suratte, welk ambt bij met veel lof bekleedde tot 2 December 1628. l)

Onder het hoofdkantoor te Suratte had Van den Broek vier onderhoorige kantoren gesticht, te Brootsja, Brodera, Amadabad en Agra.

De eerstgenoemde stad, 2) twaalf mijlen ten noorden van Suratte en negen a tien mijlen landwaarts in aan een rivier gelegen, was een centrum van weefnijverheid. Daar waren de beste bleekerijen en vandaar kwamen meer kleeden en doeken dan van eenige plaats in Indië. In de bergen werden agaatsteenen gevonden, waarvan allerlei fraais werd gemaakt.

Vijftien mijlen noordelijker lag Brodera, s) een landstad, waar fijne en fraaie kleeden gemaakt werden, maar kleiner dan te Brootsja.

Amadabad, een volkrijke stad, breed gebouwd met mooie huizen was vijf dagreizen van Suhalys strand verwijderd. Er waren vier bazaars, waar drukke handel werd gedreven in allerlei kleeden, confituren en kunstvoorwerpen. 4)

Naar Agra 6) had Akbar zijn hof, dat tot 1566 te Delhi zetelde, verplaatst. Reeds vóór dien tijd was het een groote volkrijke stad met vele rijke huizen der grooten, die alle verre overtroffen werden door het paleis, dat Akbar het bouwen. In die stad moest de Compagnie eenige vertegenwoordigers hebben voor den handel en meer nog wegens de nabijheid van het hof, dat nu eens te Agra, dan weer te Delhi zetelde.

Een goede verstandhouding met dat hof was voor de Compagnie een voorwaarde voor haren handel in het rijk van den Mogol. *) Want zonder des konings firman was in die landen niet te „negotiëren." De gouverneurs toch veranderden meestal ieder jaar en waren er op uit hun zakken te vullen. Het hof was ver en zij regeerden vrij wel als koningen. Indien zij maar met geld en roof bij den koning kwamen, vonden de klachten der kooplieden weinig gehoor 6), tenzij een bondig firman van den Mogol hen beschermde.

') Valentijn IV, 2de stuk, p. 221—224. De laatste vier jaren genoot hij een tractement van f 200 per maand.

l) Over Brootsja, Baldaeus, Malabar, p. 19; Valentijn IV, 2de stuk, p. 151.

3) Over Brodera, Baldaeus, a. w., p. 14; Valentijn, a. w., p. 152.

*) Over Amadabad, Baldaeus, a. w., p. 2; Valentijn, a. w., p. 150.

6) Over Agra, Baldaeus, a. w., p. 18; Valentijn, a. w„ p. 204 vlg.

6) Van Dam, Beschrijving, t. a. p. f. 881.