is toegevoegd aan uw favorieten.

Rijcklof van Goens, commissaris en veldoverste der Oost-Indische Compagnie, en zijn arbeidsveld, 1653/54 en 1657/58

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In den breeden raad van de vloot was er al over beraadslaagd, of de Nederlanders met hun groote macht niet meer zouden kunnen uitvoeren dan intimideeren en afsluiten. Alle schippers op één na (Jan Compas) hadden een aanval op de vijandelijke schepen onder 't bereik van 't geschut der kasteelen voor een te gevaarlijke onderneming verklaard en ook was er nu bij lichte maan geen gelegenheid geweest om de diepte van 's vijands haven te peilen.

In de vergadering van 29 November *) kwam die quaestie weer aan de orde. De admiraal had de leden van den raad expres bijeengeroepen „om de mannelycke gemoederen op te wekken tot eere en grootachtinge van de Nederlantse naem yets heylsaems te besluyten." Daartoe stelde hij twee plannen voor.

Het eerste was om bij nacht met den landwind onder de Aguade, het kasteel aan den noordelijken uitgang van de bhare, met drie schepen naar binnen te zeilen en 't schip van den vice-admiraal en een kleiner vaartuig aan te vallen, de ankers te kappen en zoo vóór den wind naar de blokkade-vloot te laten drijven of in brand te steken.

Het tweede project was afkomstig van den commandeur Roothaas. Hij wilde „den geprepareerden brander" door eenige schepen de haven doen binnenbrengen en loslaten op de vijandelijke schepen onder Mormagon, het kasteel aan den zuidelijken uitgang der bhare. Allicht zou het eene schip het andere aansteken. Als zoo de zes vijandelijke schepen verbrand waren, zou men in staat zijn met de geheele macht naar Ceylon te varen, vóór Goa maar twee of drie schepen achterlatende. Wegens 't gewicht van het te nemen besluit moest ieder zijn advies schriftelijk uitbrengen, opdat „sich den eenen naer des anderen advijs niet soude reguleeren". Bij opening der briefjes bleek dat allen onder wie, dus ook Roothaas zelf, van meening waren geen aanslag te moeten wagen, omdat de schepen te zeer aan 't vuur der forten bloot stonden, en 't volk bij 't in den grond boren van een schip moeilijk te redden zou zijn. Ofschoon de admiraal dit laatste gevaar zoo groot niet achtte, maar meer vreesde voor de verzwakking van de macht, die naar Ceylon moest vertrekken, verklaarde

') Resoluties van de Breeden raets Vergaderinge, Donderdagh, 29 Nov. 1657.