is toegevoegd aan uw favorieten.

Rijcklof van Goens, commissaris en veldoverste der Oost-Indische Compagnie, en zijn arbeidsveld, 1653/54 en 1657/58

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werden te spoedig rijk en er waren er te veel. Aan Van Goens was dan ook in zijn instructie opgedragen op geen kantoor meer dienaren te laten dan er noodig waren voor het verrichten van den dienst.

Zoo ging dan van der Dussen over tot besnoeiing van het personeel. Het geheele kantoor, behalve den directeur en die bij den koning waren, *) bestond uit 73 personen, *) aan wie maandelijks voor tractement en kostgeld ƒ3049 : 16 werd uitbetaald. Van hen werden dadelijk of zouden later') met verschillende schepen over Ceylon worden weggezonden 33, zoodat op de Guseratsche kantoren Suratte, Amadabad, Agra en Sindi behalve den directeur, nog overbleven twee opperkooplieden, twee kooplieden, vijf onderkooplieden, vijftien assistenten, één krankbezoeker. drie opperchirurgijns, acht militairen en vier zeevarende personen, te zamen veertig dienaren. De zeevarenden waren noodig voor de bediening van de drie kleine vaartuigen, *) die het verkeer te water tusschen „Suhalys kom" en Suratte moesten onderhouden. Onder deze veertig, verzekerde van der Dussen, waren er geen, die elkaar in „bloet of affiniteit" te na bestonden. De maandelijksche uitkeering was door deze vermindering van personeel teruggebracht op ƒ 1682 : 8.

Minder succes had de fiscaal bij bet ten uitvoer brengen van de order, die voorschreef, dat de overtollige gelden der dienaren in de kas der Compagnie moesten worden gestort.

De directeur Winnincx had het geld al afgegeven vóór zijn vertrek. Zij, die uit Suratte weggestuurd werden, beweerden „onverobligeert" te zijn, want de order sloeg alleen op de kantoren, waar de Compagnie geen kolonie had, en zij gingen nu naar Ceylon of Batavia, waar zulks wel het geval was.

De brieven over die opvordering aan Jan Tack te Agra gezonden, waren teruggekomen. Zij hadden hem dus niet bereikt, wat uit den oorlogstoestand te verklaren was.

') Zie boven, p. 77.

2) n.1. 3 opperkooplieden, 7 kooplieden, 9 onderkooplieden, 21 assistenten, 1 krankenbezoeker, 3 opperchirurgijns, 13 militairen en 16 zeevarende matrozen.

*) Als de weg van Agra naar zee weer veilig was en de kantoren Brootsja en Brodera waren opgeheven. Hieruit blijkt, dat het kantoor te Brodera dus nog bestond, terwijl het na de eerste inspectie van Van Goens reeds zou Zijn opgeheven (vgl. boven, p. 89).

*) Het smalschip Haarlem, en de sjamboks Amsterdam en Middelburg.