is toegevoegd aan uw favorieten.

Rijcklof van Goens, commissaris en veldoverste der Oost-Indische Compagnie, en zijn arbeidsveld, 1653/54 en 1657/58

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJLAGE II.

Aen den Grootmachtighsten Raja Singa Raju Kegser van Ceylon.

Grootmachtighste Keyser. vorst en Heere.

Decse regulcn dienen omme U K: Mayst. mijn compste in zijne stade Colombo bekent te maken, en hoe ick van mijne heeren den Gouvern' Generael ende Raden van India met een machtige vloot van 16 scheepen nae d'cust van India en tot beschermingh Uwer Mayf landen, tegens onsen gemeenen vyandt den Portugees te waater ende te Lande uitgesonden zij.

Van deese 16 scheepen hebbe ick 9 groote ende een cleljn voor de bhare van Goa gelaaten en zij ick met d'overige alhier in u mayts landen met gesondt en welgemoet crygsvolck aengecomen, in vaste hoope om deselve tot dienst u. k. m, te gebruyeken; ende dat ick d'eere sal hebben omme een dienaer Syner Mayt» hooge dessdjnen genaempt te werden, gelijck ick mij selve daertoe aenbiede, ende dat sich het hooghwijs verstandt Zijn. Keyz. Mayt. niet sal ontsetten ofte altereren aen de bejegeningh, die U. K. M. van d'onse buljten ordre mocht aengedaen zijn;

Hoe swaer mij Z. K. M. misnoegen ter harten gaet, kan ich met de penne tsoodanich het is niet wel ultdrucken, wenschende daerom: In antwoorde deeser hoe eer hoe liever te verstaen, door wekken middel ick U. K. M. tevreden sal stellen, omme oock met den eersten te rechte doen vorderen en bij mijn heeren aen te claegen. alle die U. K. M. onredelyck mochten hebben bejegent en" vertoornt, en soo stout sijn geweest derselver goederen aff te roven, dat geheel buyten onse intentie geschiet is. Gelyck selfs U. K. M. na sijn Keys. oordeel seer wel can afmeeten. Ick versoucke dan Instantelyck, dat U. K. M. alle verdere bloetstortinge gelieve te verhinderen, opdat d'onschuldige inwoonders zijner K. M. Landen in geen meer becommeringh ende ellende vervallen, wekkers onnosele Bloet nu soo erbarmeüjck ende onrechtvaerdich vergooten wert. Ick vreese grootelijcks, dat eenige boose vijanden van onse alliantie ende die de vyantschap tusschen Zijne K. M. ende ons sijne dienaren trachten te bewereken hier aff wel mochten d'oorsaeck zijn. Maer als ick daertegen U. K. Mayt» hooghwijs ende beproeft oordeel aenmereke, dunckt mij 't selve weder onmogelyck te zijn. Omme dan U. K. M. alle voldoeningh, die mogelyck sal zijn. te bewijsen, soo