is toegevoegd aan uw favorieten.

De Minang Kabausche nagari

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

têöréü Uit den tijd, dat de JslftlïJ hiöï ïijn Intrede dêèd, wat wel tusschen 1550 en 1600 zal hebben plaats gehad; zij zijn dus waarschijnlijk van twee eeuwen jongeren datum dan de bovengenoemde wetgevers.

De vier rijksgrooten, Dan had men nog de instelling van rijksgrooten,

de zoogenaamde basa(r) ampè* balai, van wie Tjindoer Mato (bl. 8) zegt: „De vier rijksgrooten zijn:

lo. de Bandaharo (of Titah) van Soengai Taro5, 2o. de Kali van Padang Ganting, 3o. de Machoedoem van Soeman^,

4o. de Indomo *) van Soeroeaso;

, dan is er nog de Toean Gadang van Batipoeh, die zich onafhankelijk beschouwt en de kracht zoekt in eigen persoon, wij noemen hem den tijger van Koto Piliang."

Waren er geschillen ter zake van „adat en „limbago", dan bracht men die voor den Bandaharo; van hem was hooger^ beroep bij den radjo adat te Bóeo **).

In godsdienstzaken liep de weg van rechten opwaarts langs den kali van Padang Ganting naar den radjo ibadat te Soempoe Koedoeih.

In laatste instantie besliste in beide gevallen de : radjo alam te Pagar Roejoeng.

Ook van den Machoedoem te Soemanik, die strijdgeschillen en wapenkwestie's moest uitmaken, was hooger beroep bij den radjo alam.

De Indomo was de pajoeng pandji, de rechterhand van den vorst, waarschijnlijk zijn adviseur.

De „tijger", een ruwe klant, „arrogant als de dobbelaars van Batipoeh" was de eenige, die vóór den vorst luid mocht praten ***); zoo nu en dan ging hij rond in het rijk „om adat overtreders op te vatten"; ik denk, dat men deze waardigheid heeft ingesteld om het woelige Batipoeh tot vriend te houden; „de tijger" behoorde niet tot de rijksgrooten.

Het komt mij voor, dat de vier rijksgrooten een instelling vormen, ouder ****) dan de Mohammedaan-

*) De Tjindoer Mato is minder juist door hem op bl. 8. „Toean Pandjang" te noemen (vgl. bl. 10. 3de regel v.o.)

* ) Dat de radjo adat te Boeo en de radjo ibadat te Soempoe Koedoeih woonde, betwijfel ik; die plaatsen waren meer hun relS£rt' z?j verbleven gewoonlijk te Pagar Roejoeng (rgl; bl^7.).

***i Hij was ook de eenige, die voor den vorst voor „ik" den mocht gebruiken [dit houdt verband hiermede, dat BatipoeJ, bü Agam behoort, waar men den algemeen gebruikt; in Tanah Datar klinkt dat minder beleefd.)

I De titels Kali en Machoedoem zjjn wel van Arabischen oorsprong, maar het is mogelijk, dat vroegere titels na de intreding van den Islam gemoderniseerd zjjn,