is toegevoegd aan uw favorieten.

De Minang Kabausche nagari

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het i& zeer goed mógelijk dütj nadat hét bêvêi daartoe was gegeven, dit goed opgevolgd is in de Loehak Limo poeloeh, met zijn goedaardige gehoorzame bevolkiDg, doch dat het „hoe dichter bij den paus, hoe verder van Rome" voor Tanah Datar van toepassing was, en dat de oude toestand daar weinig veranderd bleef voortbestaan.

In Agam *) woonden grootendeels de uitgezwermde volgelingen van Papatih Sabatang, die de adat hadden, aangegeven in rubriek B; bun regeling was zeer eenvoudig ; alle kern-familiehoofden hadden een stem in het kapittel.

5o. Werden de verschillen tueschen de principes van de beide partijen: Koto Piliang en Bodi Tjaniago doorgevoerd, zelfs verwaterd en verzwakt door den loop der tijden, dan zou het onmogelijk zijn, dat in ééne nagari, met haar adatrecht zonder nuanceeringen, b.v. de soekoe Koto met Bodi kon samen wonen.

Hoe zoude men ooit tot eenstemmigheid kunnen geraken by het verplichte overleg?

Het antwoord op deze vraag lost vele moeilijkheden op:

Niet de tijd alleen heeft het adatrecht genivelleerd; dit is vooral een gevolg van de adatregel, die algemeen en zonder uitzondering geldt: men volgt de adat van de nagari, waarin men woont of tijdelijk verblijft. **) Tjoepa1' diisi Limbago ditoeang de (daar bestaande) maat wordt gevuld, in den vorm wordt gegoten, want

dima tanah di indjai

sinèn langt di djoendjoeang,

waar men den grond betreedt, daar heeft men (denzelfden) hemel boven zich (als de menschen aldaar) en:

masoea5, kandang kambièng mambèbè*

masoea5 kandang djaui malangoeah,

komt men in een geitehok, dan moet men méêblaten, en men moet meèloeien in een koeiestal.

Zoo hebben lieden van Bodi-Tjaniago zich moeten aanpassen aan de adat van een Koto Piliang-nagari, waar zij zich kwamen vestigen.

*) ln Agam, waartoe ook behoort het grootste gedeelte van de tegenwoordige afdeeling BatipoehX Koto, was men oorspronkelijk bijna geheel van de adat Bodi-Tjaniago.

**) Een sprekend voorbeeld hiervan is, dat Mandahilingers indertijd naar Rau gegaan, er de „adat kamanakan" aannamen