is toegevoegd aan uw favorieten.

De Minang Kabausche nagari

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Soê dé MinaDg Kabaüéï zelf het verschil gevóelt tusschen de Daar zijn opvatting onveranderlijke, en de kneedbare adat blijkt wel uit een andere hoofdindeeüng van de adat:

tjoepz* oesali

tjoepa* boeatan

de oorspronkelijke gebruiken, wetten (letterlijk : maat), en de gemaakte, ontstaan naar behoefte, *)

En zeer sprekend en overtuigend wijzen de volgende rechtsregels op een levende, niet versteende, adat^:

o

adat cli atèli toemboeali poesako di atèh tampè*,

de adat berust op de noodzakelijkheid (letterlijk: waar het noodig is, waar het zich voordoet), de poesako rust op de plaats (grond);

adat nan sapandjang djalan

tjoepa1 nan sapandjang batoeang,

de adat richt zich naar het geval, de maat naar de lengte van de bamboe (d. w. z. kan verschillend zijn).

Men gaat nog verder, en deze rechtsregel geldt als basis en als hooge moraal in het geheele land:

nan èW dipakai

nan boeroeas diboeang,

het goede behouden wij, het slechte werpen wij weg.

Men vergete echter niet, dat nimmer een opzettelijke adat-aanvulliDg of -wijziging toegestaan is, indien deze niet het gevolg is van een uitspraak van de hoogste adatmacht: overleg (bl. 62.)

Rechtvaardigheid. „Adat" is de t>asis van alle niet-godsdionstige be^ grippen, die met den mensch ook maar in eenig verband staan,—ook dus, en in de eerste plaats, het rechts'even van den mensch.

„De vijf soorten van adat die in den beginne tot ons kwamen", zegt de MinaDg Kabauer, „zijn

*) Men vergelijke vooral ook de kuto nan ampè* op bl. 88 die gewoonlijk in één adem genoemd worden met de juist aangehaalde kato adat.