is toegevoegd aan uw favorieten.

Borneo-expeditie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontvangen. Zijn woning is binnen de versterking gelegen, waarin van 1880 tot 1888 een klein garnizoen lag, doch welke nu alleen door een klein getal pradjoerits is bezet, die onder de bevelen van den civielen ambtenaar staan. Evenals alle andere koeboe's in Nederlandsch-Borneo is ook deze door een vierkante omwalling van zware palissaden omgeven, die aan twee tegenovergestelde hoeken van een uitbouwsel is voorzien, waardoor het mogelijk is de buitenzijde der palissadeering van ter zijde overal te bestrijken.

Des namiddags bezocht ik den Bt. Pérak, op wiens 90 Meter hoogen top een steenen zuiltje met de er op gemetselde initialen A. S. de plaats van een astronomisch station van de topographische kaart aanwijst. De geheele heuvel bestaat uit de reeds genoemde brokkelige kiezellei, die hier sterk verweerd en grootendeels in helderwit, amorph kiezelzuur veranderd is. De spleten zijn met limoniet gevuld, en waar deze, zooals aan de oosthelling van den Bt. Pérak het geval is, zeer talrijk zijn, ziet het gesteente er uit als een mozaiek van hoekige witte stukjes, door bruine bandjes aaneengevoegd (I. 713, 714).

Trots de geringe hoogte is het uitzicht van dezen heuvel over het omringende lage heuvelland veelomvattend. Nog duidelijker dan onderweg van Pangkalan Pësaja naar Nanga Badau is van hier te zien, dat bij alle heuvels de langste doorsnede OostWest is gericht, terwijl zij in diezelfde richting in min of meer duidelijke reeksen zijn gerangschikt, die door lengtedalen van elkander zijn gescheiden. Daar echter ieder dier heuvelreeksen nu eens vrij hoog, dan weer nagenoeg even laag zijn als de omringende dalen, krijgt men bij oppervlakkige beschouwing den indruk, alsof op het vlakke land zeer talrijke heuvels onregelmatig verspreid staan; inderdaad echter staat men op een deel van een der kammen van een zeer sterk gedenudeerd ketengebergte. De meest in het oog vallende berggroep is die van den Bt. Bësar, Pangoer Doelang Patjoor enz., die het Batang-Loepar-gebied van het dal van de Empanang scheidt.

Noordwaarts tot ver in Sërawak ligt wel heuvelachtig terrein,