is toegevoegd aan uw favorieten.

Borneo-expeditie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maleiers dikwijls gebruikt om hunne parangs (zwaarden) te wetten. Het eilandje is met laag struikgewas bedekt, waartusschen wij eenige heerlijke ananassen vonden. Het uitzicht is rondom vrij en mag het fraaiste in het gebied der meeren worden genoemd. Plaat XIII geeft een gedeelte van dit uitzicht naar het Noorden weer. Links op den voorgrond ligt de Bt. Sépandan op het eilandje van gelijken naam, geheel omgeven door waterwoud en open water, rechts de hooge bergen van Lantjak, de Bt. Engkoeni (605 M.) en rechts daarvan de kolossale, tweetoppige Bt. Sëmbëroewang (752 M.); links op den achtergrond aan den gezichtseinder verheft zich het grensgebergte van Sërawak, de Tintin Kédang, waarvan wij de westelijke voortzetting bij den Bt. Pan reeds leerden kennen.

Van Poelau Mëlaioe zetten wij koers naar Poelau Sëpandan, waarvan het hooge gedeelte, de Bt. Sëpandan, zich aan de noordzijde steil uit het water verheft. Het gedeelte, dat in den regel wordt overstroomd, is zonder vegetatie en de rotsen zijn daar met een zwarte huid bedekt, die nu als een ruim 2 M. hoogen zoom het eilandje omgaf. Door de eerste bezoekers is deze scherp afgelijnde, kale rotszoom voor een soort brandingsterras aangezien, waaruit de geheel onjuiste gevolgtrekking werd gemaakt, dat nog kort geleden het gebied der meeren door de zee zou zijn bedekt geweest1). Het geheele eiland bestaat uit banken van uraliet-diabaas, die afwisselen met lagen van gëuralitiseerde diabaas-tuf en tufbreccie. Het bleek niet mogelijk met volkomen nauwkeurigheid uit te maken, hoe de stand der lagen is; de strekking is ongeveer O 4 N, de helling ongeveer 85 Z. Het gesteente is in dikke banken gelaagd, terwijl klievingsvlakken bij gelijke strekking schuin de lagen doorsnijden. Nabij en om den top (114 M.) is hoog woud, langs de hellingen laag struikgewas met talrijke ananassen. De hoogste oosttop van het eiland bestaat uit een grofkorreligen, gabbro-achtigen diabaas, doorregen met talrijke kwartsaderen (I, 789,

i) De Nederlandsche Hermes IV, N° 9, p. 40, 1828.