is toegevoegd aan uw favorieten.

Borneo-expeditie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

valt ook het optreden der vulkanische werkzaamheid langs enkele van die spleten, waardoor vulkanische gebergten met oost-westelijke strekking ontstonden. Die vulkanische gebergten zijn stellig van zeer verschillenden ouderdom en wij moeten aannemen dat, gedurende de verbrokkeling van de groote schol, nu eens hier, dan weder daar een terrein van vulkanische activiteit lag.

\ ooi een deel, zooals misschien in het Bëloewan-gebergte, was die vulkanische werkzaamheid reeds begonnen voordat het hier beschreven stelsel van breukbewegingen zich begon te ontwikkelen, voor een deel ook heeft de vulkanische werkzaamheid, zooals b. v. in de tufgebergten van de Mandai zich nog voort gezet, toen de algemeene configuratie van het terrein reeds geheel of nagenoeg geheel met de hedendaagsche overeenkwam 1).

Het spreekt echter van zelf, dat gedurende al dien tijd de erosie het land, dat reeds bestond — bijv. het Boven-Kapoewasketengebergte verlaagde, en terstond hare krachten inspande om het land, dat uit zee oprees, weder te nivelleeren. Daardoor werd het Boven-Kapoewas-ketengebergte diep aangetast en tot een ruïne van een ketengebergte gemaakt. De steile hellingen, die in het scholland van het Basin-Range-type de grenzen tusschen de afzonderlijke schollen orographisch zouden moeten aangeven, werden terstond bij hun ontstaan door de erosie aangegrepen, gedemoleerd en verplaatst naar de zijde, waar de opgeheven vleugel zich bevond. Zoo werd o. a. de steile zuidhelling van het Madi-plateau noordwaarts verplaatst en zoo is de sterke helling, die het Schwaner-gebergte naar het Zuiden bezit,

I) Ik breng den tijd dezer groote, laatste, drooglegging van Borneo, die dus, afgezien van de secundaire bodem-bewegingen, kanteling en verbrokkeling van de droog gelegde schol, een periode van voortgezette negatieve strandverschuiving mag worden genoemd, in verband met soortgelijke bewegingen, die in tertiairen tijd van vele andere deelen van den Indischen Archipel, 1 ïmor, de Kei-eilanden e. a. is aangetoond. Trots deze overeenkomst in resultaat acht ik echter onze kennis omtrent den juisten tijd, waarin deze bewegingen hebben plaats gehad, en hun naderen samenhang nog te fragmentair om daaruit te durven afleiden, dat de bedoelde negatieve strandverschuiving in tertiairen tijd veroorzaakt is door een terugwijking of wegvloeien van het water van den oceaan.