is toegevoegd aan uw favorieten.

In Centraal Borneo

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bamboes kleefrijst te koken en in andere kippen- en varkensvleesch, dat uit het huis was medegebracht, even als het bloed. De jonge jeugd was om deze lekkernijen ijverig in de weer, terwijl de oudere jeugd in de schaduw van wat afgelegen boschjes, de behoefte van lichaam en ziel onder zoeten minnekout vergat.

Voor den op te richten pëlalè bouwden twee mannen een dicht pyramidevormig omhulsel van dik hout, waaromheen de oudste ■dajoeng wat rijst zaaide en daarop de jongens en meisjes te voorschijn riep, om verder het geheele veld te bezaaien. Daarbij traden de onderlinge sympathieën spoedig te voorschijn, want terwijl de jonge mannen den pootstok hanteerden, voegde zich achter ieder van hen een jonge schoone, met wie zij schertsend hun deel van de taak volbrachten.

Daarna waren de bamboes gedeeltelijk verkoold en was de inhoud gaar, zoodat allen zich aan een extra-maal te goed konden doen. Ik moest echter eerst mijn deel van het maal genuttigd hebben, wat ik ter wille van de jongeren van het gezelschap zoo spoedig mogelijk volbracht en kon mij toen verlustigen in het gezicht, hoe allen zich te goed deden aan de staven kleefrijst uit de bamboes en aan het zoo zeldzame varkens- en kippenvleesch. Na afloop vroeg mij Tipong of ik niet naar huis wilde terugkeeren, daar nu alles was verricht, maar niemand maakte toebereidselen om ook te gaan en zoo meende ik nog verder een wissel op haar lankmoedigheid te moeten trekken en verklaarde haar nog wat te willen blijven. Zij maakte toen van den nood een deugd en haalde met de andere dajoengs een grooten bak met kawits voor den dag en begon met er hier en daar eenige op het veld in kleine bamboes neer te leggen, na ze voor den vorm wat verwarmd te hebben in het vuur. Bij iedere plaats bleef zij met de hoofdpriesteres eenigen tijd prevelen tot de geesten, waarvan echter door het slaan op een gong niets te verstaan was.

Daarop volgde het oprichten van den pëlalè onder het pyramidevormig omhulsel; vijf dajoengs knielden neer voor de opening van het houten gebouwtje; de oudste nam uit een bak de gesneden houtjes en plaatste die, zooals onder het hoofdstuk godsdienst beschreven is.

Er overheen zette hij nog een horizontaal afdak, dat tegelijkertijd