is toegevoegd aan uw favorieten.

In Centraal Borneo

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bazing ontving mijn hond Sultan mij hier kwispelstaartende en likte mij onverwacht in het gezicht, toen ik mij boven den rand heesch. Beneden had hij ons halfweg niet meer kunnen volgen , en bleef daar jankend staan; in plaats van naar het kamp terug te loopen, had hij blijkbaar een voor honden meer geschikt pad gevonden.

Naar de metingen van de opnemers van den topografischen dienst bevonden wij ons op een hoogte van 1130 M. en liepen over een smallen graat, welke aan weerszijden zoo steil naar beneden afviel, dat de wanden alleen bij vooroverbuigen zich vertoonden. Ons pad voerde meer over dik mos en boomwortels dan over gesteenten, welke zonder deze bekleedselen zeker niet aan regen en zonneschijn weerstand zouden hebben kunnen bieden.

Wat het uitzicht aangaat, dat viel volstrekt niet tegen, want op verscheidene punten belette de boomgroei van beneden het vrije beschouwen van de vlakten vóór ons niet en aangezien wij betrekkelijk hoog stonden, keken wij vooral in westelijke richting ver het Kapoewas-gebied in. Van weerskanten begrensden echter berggevaarten het tooneel, naar het zuiden verhief zich in sombere majesteit de aan deze zijde kale massa van den Terata, welke ook op hare plattere bovenvlakte nog begroeid bleek te wezen met laag geboomte.

Naar het noorden stuitte de blik tegen het Boven-Kapoewas ketengebergte , dat, van onder tot boven met zware bosschen bezet, onder het wolkenkleed waarin zijne toppen verdwenen, een beklemmend zwaarmoedigen indruk op den toeschouwer teweeg bracht. Aan zijn voet stroomde in een diep dal de Bongan met hare bijrivieren, waarin wij zooveel weken voortgekropen waren als echte pygmeeën tegenover zulk eene omgeving. Uit dit dal rezen voor ons in noordoostelijke richting de eene keten na de andere gelijk coulissen achter elkander op, voortdurend stijgende en ten noorden van ons zich met hare hoogste toppen als de Kijoe Toetoeng en de Kërihoen in de wolken verliezende. Naar het zuiden verliep slechts de rug van den Liang Tibab uit het Bongan-dal, verloor zich achter den Terata, terwijl daarachter de blik onbegrensd kon weiden over het uitgestrekte, vrij vlakke stroomgebied van den Langau, evenals de omliggende bergen met onafgebroken bosschen bedekt, die den loop der rivieren slechts deden raden. Eenige steunpunten in de in