is toegevoegd aan uw favorieten.

Kunstnijverheid in Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haald, dat: het Gouvernement met al zijn aanwijzingen en bevelen niet tot stand kan brengen wat de maatschappij zelf volkomen onbekwaam is te doen".

Het Gouvernement kan steun geven om in de goede richting te gaan, Westerlingen kunnen hun zaakkennis-, hun techniek, hun wetenschap, hun werkkracht en toewijding geven, maar dat zal alles niet voldoende zijn, als het volk zelf niet tot het inzicht komt wat het zichzelf is verplicht. Als het niet doordrongen is van eerbied voor eigen volksraad en zich zelf wil geven voor de harmonische ontwikkeling daarvan. Tot ontwikkeling van dien eigenaard houde men niet krampachtig vast aan het oude, ook dat oude is eens nieuw geweest en verving wat eraan voorafging, doch men verloochene daarom zijn eigen afkomst en traditie niet. De neiging daartoe ligt maar al te veel vast aan overgangstijden als die wij nu beleven.

Toen Japan in het eerste stadium was van zijn ontwikkeling naar westersche richting, liep een deel van het volk zoo hard vooit op den weg naar europeaniseering, dat men kostbare oude kunstwerken voor een bagatel van de hand deed als oud-modisch. Thans tracht men die waar mogelijk terug te koopen voor evenveel goud als men er vroeger koper voor vroeg. De oude nationale dracht werd mede verlaten, elke japansche dame die zich respecteerde meende in de tachtiger jaren verplicht te zijn om volgens parijsche mode gekleed te gaan, met het gevolg dat zij naar westersche begrippen er uit zag als een carricatuur. Later kwam het verstand teiug en thans ziet men in Japan geen enkele vrouw van het land van welken stand ook — uitgezonderd aan het Keizerlijk Hof bij enkele gelegenlieden die zich anders kleedt dan in de mooie, bij den aard van

haar wezen, karakter en voorkomen passende nationale dracht.

Uit een beginsel van oogenlust kan ieder daar dankbaar voor

zijn. _ .

Wel hebben de nieuwe toestanden andere eischen ingevoerd. De

meisjes die onderwijs inrichtingen bezoeken dragen daar een eenigszins gewijzigd overkleed op de kimono, en de mannen dragen in de westersch ingerichte kantoren europeesche kleeding, doch dat doet men uit overwegingen van bedrijfsnut. Heeft men echter de zaken achter den rug dan verwisselen de meesten snel hun werkcostuum met de hun goed kleedende dracht van het land. Zelf voelen zij zich daarin meer behagelijk en den Westerling lijken ze er sympatiekGI" ÏÏ1GG.

Er zit bij velen een soort wanbegrip, dat bij hen, die op willen komen voor het goed recht van een eigen karakter van de volken dezer landen, een soort goedaardige manie bestaat om op elk vooi-