is toegevoegd aan uw favorieten.

Kunstnijverheid in Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

- 46 -

tot harmonische maatschappelijke verhoudingen, wanneer de opleiding daartoe geen rekening houdt met den in het volk levenden aanleg en niet zijn artistieke overlevering.

9. De kracht van het Indische kunsthandwerk ligt meer in het gevoel voor versiering van zijn beoefenaars dan in de afwerking, de vakkennis laat dikwijls veel te wenschen over, vooral bij het construeeren en samenvoegen van houten of metalen deelen.

10. Goed kunstnijverheidsonderwijs zal zich vooral moeten richten op het bijbrengen van constructieve en technische kennis erf economisch begrip; het zal de oude overgeleverde kunstvormen moeten eerbiedigen en voorzichtig leidend de mogelijkheid moeten voorbereiden, waardoor de oude geest en begaafdheid zich op nieuw kan uitspreken, in harmonie met de wordende maat-

11. Het is daartoe echter niet voldoende, dat aan een zeker aantal menschen een kunstvak wordt geleerd, de geheele toekomstige maatschappij dient doordrongen te worden van de hooge waarde van kunst van eigen land als cultuur-uiting, opdat men voor voorwerpen van dagelij ksch gebruik zich niet vergape aan minderwaardig importgoed, doch voldoende critisch vermogen bezitte om in deze het kaf te scheiden van het koren.

12. Daarom dient het geheele onderwijs doortrokken te worden van den geest vaij eerbied voor eigen aard en eigen schoon, waartoe een doeltreffend teekenonderwijs op alle scholen, en in het bijzonder voor toekomstige bestuurs-ambtenaren hoofden en onderwijzers, zeer veel kan bijdragen.

13. Omtrent de economische bestaansmogelijkheid van een eigen kunstnijverheid zij gewezen op de zeer groote geldswaarde aan porcelein, aardewerk, metaalwaren, textiele artikelen, enz. welke jaarlijks ingevoerd, dan wel door ingevoerde werkkrachten hier wordt vervaardigd (houtbewerking) en waarvan een groot gedeelte ongetwijfeld gemaakt zou kunnen worden door kinderen des lands.

14. Op grond van het bovenstaande moet het urgent worden geacht, dat de maatschappij toont de cultureele en economische waarde te begrijpen van de in het volk sluimerende talenten, en dat de Regeering steun verleent aan ernstig bedoelde pogingen om deze talenten te ontwikkelen ten nutte van de komende samenleving.