is toegevoegd aan uw favorieten.

De Inkomstenbelasting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waar voor de berekening van het belastingplichtig inkomen als basis wordt genomen het j aarlij ksch inkomen, spreekt het wel van zelf, dat, indien de belastingplichtige aanspraak kan maken op aftrek wegens interessen enz. en premiën van levensverzekering (art. 8, b en c), ook deze naar een vol jaar zullen moeten worden berekend, altijd indien de belastingplichtige reeds bij den aanvang der belastingplicht tot de betaling daarvan verplicht was. Heeft hij bovendien nog kinderen te zijnen laste dan zal aftrek daarvoor (artikel 12) moeten worden toegepast op het jaarlijksch bedrag van den aanslag en zullen van het saldo zooveel twaalfden moeten worden genomen als het aantal geheele maanden beloopt die nog niet zijn ingetreden.

Wat den aanvang van belastingplicht betreft kan wat de in art. la. bedoelde personen betreft slechts verstaan worden aanvang van het genot van inkomsten (voor zoover niet vrijgesteld); wanneer dus bijv. dat genot op 1 April aanvangt dan is de maand April op het tijdstip van dien aanvang reeds ingetreden en kan dus slechts de belasting verschuldigd zijn over 8 maanden (D.B.)

Aanvang van belastingplicht in den loop van het belastingjaar voor de in artikel 1, c of f bedoelde personen. Belastingschuldigen, als bedoeld in artikel la., die in den loop van het belastingjaar Nederlandsch-Indië metterwoon verlaten en aan wie alzoo ontheffing op den voet van artikel 58 § 1 kan worden verleend, behooren over het belastingjaar waarin het vertrek plaats had, c. q. niet te worden aangeslagen als belastingplichtigen bedoeld in artikel 1 c of f. (D.B.)

Artikel 29.

Verplichting De belasting wordt, behoudens het bepaalde bij §^ 3, tot indiening alinea 1, van artikel 42, geheven ingevolge de aangiften ) van een aan- der belastingplichtigen of hunne vertegenwoordigers.

gifte" Tot het doen van aangifte zijn gehouden175) zij, die

uit eigen hoofde, dan wel ingevolge de artikelen 23, 24 25, en 26 voor anderen, belastingplichtig zijn en, ingeval van liquidatie van de in artikel 1 b en le bedoelde lichamen, de met de vereffening belaste personen of hun vertegenwoordigers in Nederlandsch-Indië. In het laatstbedoelde geval mogen na de ontbinding geen uitkeeringen worden gedaan, alvorens daarvan en van de vóór de ontbinding gedane uitkeeringen over het jaar waarin de ontbinding geschiedt, aangifte is gedaan en de voor een en ander verschuldigde belasting,