is toegevoegd aan uw favorieten.

De Inkomstenbelasting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2de. indien het lid of de plaatsvervanger is in 's Lands werkelijken dienst, en zijne maandelijksche bezoldiging als zoodanig bedraagt: minder dan ƒ 500, ƒ 3 (drie gulden);

ƒ 500 en meer, doch minder dan ƒ 1000, ƒ 4 (vier gulden) en ƒ 1000 en daarboven ƒ 5 (vijf gulden).

Wanneer het geheele aantal te onderzoeken jaarlijksche aangiften niet meer dan 25 bedraagt, wordt evenwel aan de onder ten 2de bedoelde persoon geen presentiegeld toegekend.

B. De onder A hiervorenbedoelde leden der commissiën van aanslag kunnen voor hunne reizen als zoodanig op den voet van Gouvernements reizigers gebruik maken van de Gouvernements- en binnenlandsche postpaarden, zoomede van de particuliere postpaarden, die krachtens bestaande of nader te sluiten overeenkomsten de gouvernements of binnenlandsche postpaarden vervangen, mits daartoe voor elke reis gemachtigd door het betrokken hoofd van gewestelijk bestuur; zullende de kosten van het gebruik der evenbedoelde particuliere postpaarden komen voor rekening van den lande.

Voorts kunnen aan de genoemde leden in de gevallen, waarin daartoe naar het oordeel van den Directeur van Financiën termen bestaan, de door hen als zoodanig gemaakte spoor-, transport- en verblijfkosten worden vergoed.

VII. De in het 3dc lid van artikel 43 der ordonnantie van heden (Staatsblad No. 298) bedoelde verhouding tusschen het getal jaarlijksche aangiften, die bij de vaststelling van den aanslag in inkomstenbelasting door de commissie is gevolgd, en het getal dat beëedigd moet worden, is dertig tot een.

Voor de berekening wordt een getal aangiften lager dan dertig of niet door dertig deelbaar verhoogd tot dertig of tot het naaste hooger veelvoud van dertig.

Is er slechts een aangifte, welke in aanmerking zou kunnen komen voor beëediging, dan kan zulks achterwege blijven.

VIII. De in het lste lid van artikel 45 en het 7de lj<J van artikel 57 der ordonnantie van heden (Staatsblad No. 298) bedoelde ambtenaren, die ambtshalve tegen de daar