is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der plantkunde voor Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Assem of Tamarinde. Tamarindus indica.

De Tamarinde is een liooge boom, die oorspronkelijk niet op Java tehuis behoort, maar zeer veel als schaduwboom langs de wegen wordt gekweekt. Het vruchtmoes en de jonge bladeren worden gegeten, ook wel de jonge zaden. Het vruchtmoes wordt ook als geneesmiddel gebruikt.

De bladeren zijn even gevind, de bloemen klein, in trossen aan de uiteinden der takken geplaatst.

Men kan de bloem van de Tamarinde vergelijken met een bloem van de Djoear, den Gouden Regen, de Kembang merak of de Setjang, waarvan enkele deelen niet tot ontwikkeling zijn gekomen.

De kelk bestaat uit vier lichtgele blaadjes, die aan den voet met elkander vergroeid zijn; een van de kelkblaadjes is breeder dan de overige en blijkbaar uit vergroeiing van twee andere ontstaan. Drie bloemkroonblaadjes zijn goed ontwikkeld, geel met purperen aderen, de beide andere zijn zeer klein, priemvormig, zoogenaamd rudimentair. Yan de meeldraden zijn er drie goed ontwikkeld, vier zeer klein, rudimentair, zoodat er dus drie ontbreken. Het vruchtbeginsel is bovenstandig, gesteeld, de vrucht is een niet openspringende 1 tot 10-zadige (meestal slechts 3—6 zadige) peulvrucht, waarvan de zaden in een zwart, kleverig, zuur vruchtmoes liggen ingesloten.

De Kembang telang. Clitorea ternatea.

De Kembang telang is een links windende klimplant of slingerplant, met donkerblauwe of witte bloemen die overal in Ned.Indië, in de laaglanden in het wild en ook gekweekt als sierplant in tuinen voorkomt. De bloemen staan afzonderlijk in de bladoksels. De bloemsteel is voorzien van twee kleine en twee groote steelblaadjes, de laatste vlak onder de bloem.

De kelk is vergroeidbladig, symmetrisch, vijfslippig. De bloemkroon is zoogenaamd vlindervormig, losbladig en bestaat uit vijf blaadjes, waarvan het grootste de vlag, de twee zijdelingsche de vleugels of zwaarden, en de twee kleinste, die aan den top met elkander vergroeid zijn, de kiel worden genoemd. Het vlak van symmetrie van de bloem halveert de vlag en scheidt de twee blaadjes waaruit de kiel bestaat, van elkander.

Er zijn tien meeldraden waarvan er één, de naar de vlag gekeerde, geheel vrij is. Van de overige negen zijn de helmdraden met elkander vergroeid tot een gootje, dat het vruchtbeginsel omgeeft. Het vruchtbeginsel is bovenstandig, kortgesteeld, de stijl en de stempel zijn duidelijk te zien.

De bladeren staan verspreid aan den stengel, ze zijn oneven