is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der plantkunde voor Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de plantendeelen waaraan zij voorkomen. Zij zijn onregelmatig gerangschikt en zijn meestal in groot aantal aanwezig. Zij kunnen aan stengels of aan bladeren voorkomen, bij vele planten treft men ze zoowel aan de stengels als aan de bladeren aan.

Men treft ze bij talrijke planten aan o. a. bij de Setjang (Fig. 4), bij den Aardappelboom (Fig. 18), aan het Kruidje-roer-mij-niet (Fig. 73), aan de Rotansoorten (Plaat YI, Fig. 1), aan de Bramen (Plaat IX, Fig. 1), aan de Rozen, aan oude Kapokboomen, bij vele Dadapboomen, bij de Krulpalmen (Martinesia) enz.

Stekels kunnen voor de planten waaraan zij voorkomen beteekenis hebben, doordat zij plantenetende dieren afweren of ook wel doordat zij het klimmen vergemakkelijken. Over het voorkomen van stekels bij klimplanten wordt in het volgende hoofdstuk gesproken.

Dorens zitten gewoonlijk steviger vast en zijn meer regelmatig gerangschikt dan stekels. Dat in enkele gevallen wortels dorenvormig kunnen worden, hebben wij reeds vermeld, in verreweg de meeste gevallen hebben wij echter met vervormde bladeren of takken te doen. Naar de wijze van ontstaan en de plaatsing kunnen wij blad dorens en takdorens onderscheiden.

Dorens aan den bladrand en een in een doren veranderden bladtop treffen wij aan bij de vleezige bladeren van Agave (Fig. 90) en dergelijke planten, ook bij de Ananas en diens verwanten en bij vele Pandanmsoorten. Ook bij sommige grassen zooals bijv. bij Spinifex (Fig. 24) zijn de bladeren dorenvormig toegespitst. De naalden die wij aan de bloeiwijze van vele grassen, bijv. bij sommige Rijstvariëteiten aantreffen zijn lange, dunne dorens. Steunblaadjes kunnen in dorens veranderen, dit is bijv. het geval bij de Soesoeroe (Fig. 14), bij vele Accaciasoorten en bij verscheidene andere Vlinderbloemige planten.

Bij sommige Accaciasoovten komen groote, holle steunbladdorens voor, die door mieren als woning worden gebruikt.

Bij sommige dergelijke planten, die geregeld door mieren bewoond worden, levert de plant aan de mieren, behalve een woning, ook nog voedsel in den vorm van honig of van kleine eiwitrijke korreltjes, die bij de bewuste Accaciasoorten aan de toppen der blaadjes van het dubbelgeveerde blad ontstaan.

Men neemt dikwijls aan dat bij dergelijke planten die, (zooals de Accacia's met holle, door mieren bewoonde steunbladdorens, zooals Myrmecodia's, Hydnophytums en sommige Polypodium's met dikke, holle wortelstokken), aan mieren een geschikte woning verschaffen en die dan