is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der plantkunde voor Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zyn vljf van de zes blaadjes van het bloemdek met elkander vergroeid en het zesde blad is vrij (Fig. 210).

Bij de bloemen waar men twee verschillende bloembekleedsels aantreft, het buitenste groen en steviger, het binnenste anders gekleurd en teerder, spreekt men van kelk en bloemkroon. Dikwijls heeft men dan één krans van kelkblaadjes en één van bloemkroonblaadjes maar soms ook wel meer kransen van kelk of bloemkroonblaadjes, of wel de bloembekleedselblaadjes staan in een spiraal in plaats van in kransen. Men spreekt dan van een kelkgordel en een bloemkroongordel. Niet altijd is de kelk groen, het kan ook voorkomen dat de kelk bloemkroonachtig

gekleurd is.

In enkele gevallen waar men slechts één gordel aantreft, gebruikt men toch de uitdrukking kelk (en niet bloemdek) omdat men gegronde reden heeft aan te nemen dat de bloemkroon niet tot ontwikkeling is gekomen. Wanneer bijv. bij andere na

Fig. 210. Diagram van de verwante plantensoorten wel kelk en Pisangbioem. bloemkroon voorhanden zijn, of wan¬

neer een onderzoek van de jonge ontwikkelingstoestanden van den bloemknop aantoont, dat er oorspionkelijk wel een aanleg van bloemkroonblaadjes aanwezig is maar dat deze aanleg zich niet verder ontwikkelt, is men gerechtigd een dergelijken, alléén voorkomenden krans kelk te noemen, in plaats dat men de uitdrukking bloemkroon gebruikt.

In dergelijke gevallen waar men dus in aanleg twee gordels heeft, maar waar er slechts één tot ontwikkeling komt, is het gewoonlijk de bloemkroon die ontbreekt. De kelk is wel vaak zeer klein, gereduceerd tot uiterst kleine tandjes of schubjes, maar geheel ontbreken doet hij toch slechts zelden.

Bij vele Samengesteldbloemigen is de kelk ontwikkeld in den \ orm \ an haren of borstels en speelt dan soms een rol bij de verspreiding van de vruchten, men spreekt dan van een haarkeik of van vruchtpluis.

De kelk valt dikwijls af, soms reeds bij het opengaan van de bloem, vaak bij het verwelken, tegelijk met de bloemkroon. Wanneer de kelk niet afvalt, noemt men hem b 1 ij v e n d. Hij blijft dan op het onderstandige- of aan den voet van het boven-