is toegevoegd aan je favorieten.

Leerboek der plantkunde voor Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelve bestoven worden, gedeeltelijk zal er ook stuifmeel tussclien de haren van de onderzijde van het insektenlicliaam blijven hechten en naar een andere Cassia-bloem kunnen worden overgebracht.

Tot het geslacht Aristolochia behooren talrijke soorten, hoofdzakelijk Zuid-Amerikaansclie klimplanten, gedeeltelijk met opvallende groote bloemen, die vaak als sierplanten worden gekweekt. Een soort met kleine bloemen komt in West-Europa en enkele soorten komen in Ned.Indië in het wild voor. De bloemen van Aristolochia hebben een vergroeidbladig bloemdek waarvan het onderste gedeelte ketelvormig verwijd is, het middelste gedeelte een tamelijk nauwe, dikwijls gebogen buis vormt en een soms zeer breeden, grillig gevormden en geteekenden zoom. In de buis komen bij sommige soorten naar den ketel gerichte haren voor

Fig. 290. Aristolochia-h\oemQi\. 1 A. elegans. 2 A. ornithocephala (naar Burck).

die op de wijze van een fuik werken, zoodat insekten gemakkelijk naar binnen kunnen dringen maar niet gemakkelijk de bloem kunnen verlaten.

Het vruchtbeginsel is onderstandig, de stijl is zeer kort, de zes zittende helmknoppen omgeven den stijl.

De bloemen zijn eenigermate protogynisch, bij de Europeesche Aristolochia Clematitis schijnt gedeeltelijk kruisbestuiving te kunnen plaatsvinden. De kleine vliegjes die in de bloem doordringen, worden hier eenigen tijd gevangen gehouden door de stijve, naar beneden gerichte haartjes in de bloemdekbuis. Zij strijken al rondkruipende en rondvliegende het meegebrachte stuifmeel op de stempels af. Wanneer de helmknopjes opengesprongen zijn en de bloem begint te verwelken, verslappen deze haartjes en de vliegjes kunnen met nieuw stuifmeel beladen den uitgang bereiken en weer in een andere bloem binnendringen.

Bij de grootbloemige, in Indië af en toe gekweekte soorten (Fig. 290),