is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der plantkunde voor Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een zaad ontwikkelt zich uit een eitje, waarvan de eicel door een stuifmeelkorrel bevrucht is geworden, een spoor kan op allerlei wijzen ontstaan, maar is in den regel veel kleiner dan een zaad en ontstaat nooit uit een eitje en een stuifmeelkorrel. Aan het blad van een Varen ontstaan bijv. de sporen in microskopisch kleine sporenzakjes, die men als bruine stofhoopjes aan den achterkant van het blad vindt. Aan verschillende Schimmels ontstaan de sporen als microskopisch kleine knopjes aan de schimmeldraadjes.

Het onderscheid tusschen de twee klassen der zaadplanten, de klasse der Bedektzadigen en de klasse der Naaktzadigen berust daarop, dat bij de klasse der Bedektzadigen de vruchtbladen, waaraan de eitjes ontstaan, zoodanig met de randen aan elkander gegroeid zijn dat er een gesloten vruchtbeginselholte ontstaat, waartoe alleen het stijlkanaal toegang geeft. Wij vinden .bij de Bedektzadigen een vruchtbeginsel met een of meer stempels en de rijpe zaden zijn in een vrucht ingesloten. Bij de Naaktzadige planten daarentegen zijn de randen der vruchtbladeren niet met elkander vergroeid, de eitjes liggen bloot. Wij hebben hier dus geen vruchtbeginsel met stempels maar alleen vruchtbladen, die zeer verschillend gevormd kunnen zijn, met eitjes. De zaden zijn bij de Naaktzadige planten dan ook niet in een vrucht ingesloten, maar zitten vrij op de vruchtbladen.

De gewone planten die wij in het dagelijksche leven rondom ons zien, behooren meerendeels tot de klasse der Bedektzadigen, zoodat wij voorloopig alleen deze afdeeling van het plantenrijk behandelen.

Het onderscheid tusschen de Één- en de Tweezaadlobbigen.

Het onderscheid tusschen de Orde der Eenzaadlobbigen en de Orde der Tweezaadlobbigen komt niet alleen daarop neer dat aan de jonge kiemplant van de Eenzaadlobbigen slechts één zaadlob en aan die van de Tweezaadlobbigen twee zaadlobben voorkomen. Deze twee Orden onderscheiden zich nog in verschillende andere opzichten, zoodat men in den regel, ook wanneer men de jonge kiemplanten niet gezien of de zaden niet onderzocht heeft, toch onmiddellijk zeggen kan tot welke der beide orden een bepaalde bedektzadige plant behoort.