is toegevoegd aan je favorieten.

Leerboek der plantkunde voor Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bladeren zijn in aanleg enkelvoudig, scheuren echter bij de ontwikkeling min of meer in en zijn dan in ontwikkelden toestand soms waaiervormig gespleten, soms geveerd, soms ook dubbel geveerd (Caryotci).

De bloemen zijn klein met een kelkachtig regelmatig bloemdek dat gewoonlijk uit twee kransen van drie blaadjes bestaat, maar bij sommige soorten (Nipah) rudimentair is. De bloeiwijze is een gewoonlijk rijk vertakte bloeikolf die door een of meer scheedeachtige schutbladen is omgeven. De bloemen zijn dikwijls éénslachtig, meestal één- soms tweehuizig, in enkele gevallen tweeslachtig. Het vruchtbeginsel is bovenstandig, de vrucht is soms een bes (Caryota), soms een steenvrucht (Klapper), soms een vrucht met leerachtige, schubbige schil en vleezige zaadmantels (Salak). Het vruchtbeginsel bevat drie eitjes, bij de meeste soorten is de vrucht echter slechts éénzadig.

Vermelding verdient de verschillende wijze waarop de Palmen bloeien. Bij de meeste soorten, de Klapper, de Pinang, de Koningspalm bijv. ontstaan de bloeiwijzen uit de zijknoppen en wel in dezelfde volgorde waarin de bladeren tot ontwikkeling komen. De stam groeit hier geregeld door en met korte tusschenpoozen komen er nieuwe bloeikolven tot ontwikkeling. Bij enkele geslachten, bijv. bij de Sagopalmen en sommige Waaierpalmen, ontstaat de bloeiwijze uit den eindknop. Indien dit het geval is bloeit de palm slechts eens en sterft na het rijpen van de vruchten af. Een derde wijze van bloeien komt voor bij het geslacht Caryota en bij de Arènpalm. De palm begint hier pas te bloeien wanneer zij haar volledige grootte heeft bereikt, de bloeiwijzen ontwikkelen zich uit de oksels der bladeren maar in de volgorde van boven naar onderen voortschrijdende (Fig. 26), kort na elkander, zoodat er ten slotte aan het ondereinde van den stam zich nog bloeiwijzen ontwikkelen uit knoppen die gedurende eenige jaren geslapen hebben.

Wat de groeiwijze betreft kan men nog onderscheid maken tusschen uitstoelende palmen (Caryota, Sagopalm, Rottansoorten, Roode pinang) en niet uitstoelende soorten (Klapper, Pinang, Arèn, Koningspalm).

De Palmen komen uitsluitend in de tropische luchtstreken voor, er zijn ongeveer 1000 verschillende soorten bekend. Vele zijn om de een of andere reden nuttig voor den mensch, talrijke worden ook als sierplanten gekweekt.