is toegevoegd aan je favorieten.

Leerboek der plantkunde voor Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bladeren. Een van de merkwaardigste Javaansche Eiken is Quercus platycarpa, waarvan de groote platte eikels in Buitenzorg wel gebruikt worden om er tolletjes van te maken.

Het geslacht Castanopsis onderscheidt zich van Quercus hoofdzakelijk doordat de vruchten gewoonlijk ten getale van twee of drie geheel door het meestal gestekelde omwindsel worden omgeven. Dit omwindsel barst bij rijpheid open. De vruchten van verscheidene inheemsche Kastanjesoorten (Saninten, fearangan, Tangeureuh) worden gegeten.

De Santalaceeën.

Tot deze familie die, wat bouw van de bloem betreft;, in hoofdzaak met de Loranthaceeên overeenstemt, behooren boomen, heesters en lage kruiden. Sommige Santalaceeën leven parasitisch, eenige op de wijze van de Loranthaceeên op de takken van boomen, anderen leven schijnbaar zelfstandig, maar vormen inderdaad aan hun wortels haustoriën, waarmede zij aan de wortels van andere planten water en voedingszouten onttrekken. Alle Santalaceeën hebben bladgroen, zij assimileeren dus zelf en ontnemen aan hun voedsterplanten hoofdzakelijk water en voedingszouten.

Een bekende vertegenwoordiger van deze familie is de Sandelhoutboom of Tjendani (Santalum album) die op Timor, Sawoe, "söëiïïbawfÜ Bali, hier en daar in Oost-Java en Madoera en ook in Yoor-Indië voorkomt. Het hout van dezen boom is als reukhout overal in Zuid-Oost-Azië zeer gezocht om er doozen, wapengevesten, krisscheeden, enz. van te maken. In Europa wordt er een vluchtige olie uit gedistilleerd die als geneesmiddel en in de parfumerie toepassing vindt.

Of de Sandelhoutboom ook als wortelparasiet leeft of zich zelfstandig voedt is nog niet met zekerheid uitgemaakt.

De Balanophoraceeën.

Alle Balanophoraceeën zijn vleezige, bladgroenlooze wortelparasieten met knolvormige, enkelvoudige of vertakte wortelstokken. De bloemen zijn dicht opééngedrongen op ei-, kogel-, cylinder- of kegelvormige bloeikolven met dikke stelen die aan de basis door talrijke schubben of door een scheede omgeven zijn. De bloemen zijn klein, éénslachtig, éénof tweehuizig. Het bloemdek is bij de mannelijke bloemen gewoonlijk drie- tot zeslobbig, bij de vrouwelijke ontbreekt het of is met het vruchtbeginsel vergroeid. In het laatste geval is het vruchtbeginsel onderstandig. Het vruchtbeginsel is van één- tot driehokkig, met één eitje in elk hokje en met twee stijlen. De vrucht is klein, éénzadig. Het aantal meeldraden in de mannelijke bloemen is zeer verschillend.

De soorten van het geslacht Balanophora (Plaat VII, Fig. 4), waarvan