is toegevoegd aan je favorieten.

Leerboek der plantkunde voor Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er een vijftal in de bergwouden voorkomen, bevatten veel was die dooide Inlanders vroeger gebruikt werd om er kaarsen van te maken. De Inlandsche naam voor deze planten is Proet.

Een niet nader gedetermineerde Balaiioplwracee wordt op de koffieondernemingen van Sumatra's Westkust somtijds schadelijk door op de koffiewortels te parasiteeren.

De Aristolochiaceeën.

lot de kleine familie der Aristolochiaceeën behooren kruidachtige of min of meer houtige, dikwijls klimmende planten. De bloemen ruiken gewoonlijk onaangenaam, de bladeren en stengels dikwijls ook wanneer zij tusschen de vingers gewreven worden. De bladeren staan verspreid, ze zijn gesteeld, dikwijls hartvormig, gaafrandig of drie- tot vijflobbig' De bloemen zijn meestal van middelmatige grootte of zeer groot, groen, geelachtig, vuilpurper of gestreept en gevlekt.

De bloemen zijn tweeslachtig, het bloemdek is vergroeidbladig, soms ïegelmatig drielobbig, dikwijls ook symmetrisch met een drietandigen of drielobbigen zoom. De meeldraden ten getale van zes of in grooter aantal zijn om den stijl ingeplant, met korte of zonder helmdraden. Het vruchtbeginsel is onderstandig of half onderstandig, volkomen of onvolkomen vier- tot zeshokkig. De vrucht is meestal een doosvrucht die in elk hokje gewoonlijk zeer talrijke, dikwijls platte zaden bevat.

\ an deze familie komen enkele Bragaiitia-soovten met kleine, regelmatige bloemen, enkele Thottea-soorten met groote regelmatige bloemen en enkele Aristolochia-soorten met symmetrische bloemen in Indië voor.

Gekweekt ziet men niet zelden in onze tuinen enkele klimmende, grootbloemige Zuid-Amerikaansche soorten (Fig. 290), die wegens dé bestuiving zeer merkwaardig zijn.

De Rafflesiaceeën.

I)e Bafflesiaceeën zijn vleezige, kruidachtige, bladgroenlooze wortelpal asieten. Bij de twee in Ned.-Indië voorkomende geslachten van deze familie vindt men een enkele groote bloem, gezeten op een napvormigen, door de voedsterplant gevormden voet en aan de basis door schubben omgeven die met den voet van het vruchtbeginsel vergroeid zijn en niet op de bloemdekslippen gelijken.

Bij het geslacht Bafflesia (Plaat VII, Fig. 5) vinden wij tweehuizige bloemen, de bloemdekbuis is vleezig, met een vijfdeeligen zoom. De slippen zijn m liet midden verbonden met een vleezige, mutsvormige, in het midden doorboorde bijkroon die de bloemdekholte grootendeels bedekt. In het midden van de bloem komt een centrale zuil voor die aan den top tot een schijf verbreed is en door een enkelen of dubbelen ring