is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der plantkunde voor Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Combretaceeën.

De Combretaceeën vormen een tamelijk groote familie die hoofdzakelijk in de tropen voorkomt. Het zijn boomen of heesters, dikwijls klimmend, met meestal enkelvoudige bladeren, zonder steunblaadjes. De bloemen zijn één- of tweeslachtig, de kelkbuis is met het vruchtbeginsel vergroeid, de kelkzoom 4—5, zelden 6 tot 8 spletig. De bloembladen ontbreken of zijn ten getale van 4 of 5 aanwezig, meestal zijn ze klein. Meeldraden 4—5 of 8—10 in twee kransen, zelden in onbepaald aantal. Het vruchtbeginsel is éénliokkig met een enkelvoudigen stijl, het aantal eitjes is gering, soms één, bij andere geslachten 2 tot 6. De vrucht is leder-, papier- of steenvruchtachtig, met een dikwijls gevleugelde kem, éénhokkig, éénzadig.

Vermelding van deze familie verdienen:

De Ketapang (Terminalia Gatappa) is een hooge' boom met horizontale takken en groote, omgekeerd eironde bladeren die in geheel Indië aan het zandige zeestrand in het wild voorkomt en ook dikwijls als schaduwboom wordt geplant. De bloemen zijn klein en staan in aren, de bloemkroon ontbreekt, de kelk is vijftandig, er zijn tien meeldraden. De vrucht is een steenvrucht met een harde steen. Deze steenen worden door zeestroomingen verspreid (Fig. 295). Het zaad is eetbaar en bevat veel olie. De vruchtwand bevat veel looistof en kan voor zwartverven gebruikt worden. Van enkele andere soorten van ditzelfde geslacht worden de vruchten onder den naam Myrobalanen in groote hoeveelheden uit Engelsch-Indië uitgevoerd om in Europa als geneesmiddel, maar vooral als looimiddel en als verfstof te worden gebruikt. Van een op Java voorkomende Terminalia-soort zijn de vruchten, onder den naam djoho, als Inlandsch geneesmiddel in gebruik.

De Oedani (Quisqualis indica) is een niet zelden als sierplant gekweekte klimmende heester met dunne takken en tegenovergestelde bladeren waarvan de steel als doren blijft zitten wanneer de schijf verdort en afvalt. Ook bij sommige verwante tot het geslacht Combretum behoorende klimmende heesters komt dit voor (Fig. 186), De bloemen van de Oedani zijn groot, wit of rood, zij staan in korte, okselstandige of eindelingsche aren. De vrucht is groot, droog, langwerpig, leerachtig, scherp vijfkantig met vijf vleugels.

Tot het geslacht Lumnitsera behooren een paar in de mangrove voorkomende heesters of lage boomen met groote bloemen en leerachtige bladeren.

De Oenotheraceeën.

De Oenotheraceeën of Onagraceeén vormen een tamelijk groote familie die hoofdzakelijk in de gematigde luchtstreken verbreid is. De bloemen zijn regelmatig, tweeslachtig, de kelklobben in den knop klepsgewijze aaneensluitend, gewoonlijk vier tot zes, bloembladen eveneens meestal vier tot zes, meeldraden in hetzelfde of het dubbele aantal der bloemkroon-