is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der plantkunde voor Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

.. • „ X

ceeen en noraginaceeen vinat men eigenaardige inhoudsbestanddeelen van de cel, knobbelige, sterk lichtbrekende lichamen die uit concentrische lagen zijn opgebouwd en die grootendeels uit koolzure kalk blijken te bestaan. Men noemt dergelijke lichamen cystolithen.

Alle .Ficus-soorten hebben cystolithen in de bladeren, niet alle soorten zijn echter even geschikt voor onderzoek. Zeer geschikt zijn Ficus obtusifolia, Ficus Ampelos, Ficus pilosa, Streblus asper (groote en kleine cystolithen, de groote in cellen die met een stekelpunt voorzien zijn en een zeer sterk verdikten buitenwand hebben). Bij dunbladige kruidachtige Urticaceeën kan men het geheele blad doorschijnend maken om de

cystolithen te zien te krijgen.

Corclia subdentata heeft bijzonder mooie cystolithenliaren. Bij Ruellia tuberosa zijn de dikke wortels een geschikt onder-

zoekingsobj eet.

Cellen die ongeveer even breed als lang zijn en een zeer sterk verdikten, houtigen wand hebben met talrijke stippelkanalen en waarvan de inhoud gewoonlijk afgestorven is, noemt men steencellen. Men vindt ze soms in kleine groepen, ze vormen dan kleine harde knobbeltjes in den vruchtwand, het vruchtvleesch of den bast, soms vindt men ze ook in grootere complexen, dikwijls met langere of kortere vezels vereenigd, in de steenharde binnenste laag van den vruchtwand van allerlei steenvruchten.

Fig. 346. Cystolith van Ficus elastica.

Fig. 347. Steencellen.

Voor onderzoek van steencellen verdienen aanbeveling: het vruchtvleesch van Caryota urens, de schil van Anona muricata, van Achras