is toegevoegd aan uw favorieten.

Handleiding voor den dienst der accijnzen in Nederlandsch-Indië met den tekst der op de accijnsenheffing betrekking hebbende algemeene verordeningen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staande gemeenschap met andere panden, de gedeelten der stokerij of distilleerderij en daartoe behoorende panden, die tot opslag van gedistilleerd zullen worden gebezigd, eene beschrijving van de fabriek en — zoo de aangifte eene stokerij betreft—de wijze waarop het vervaardigd gedistilleerd wordt opgevangen '). Voor deze aangifte is geen model vastgesteld; zij kan dus naar goedvinden van den aangever worden ingericht, mits zij aanwijze wat bij artikel 10 der gedistilleerd-accijns-ordonnantie is voorgeschreven. Een voorbeeld van zulk eene aangifte is opgenomen op pag. 241 van het Modellenboek.

. De ontvanger is gehouden om, mits geen gemeenschap bestaat tusschen:

a. stokerijen en distilleerderijen,

b. distilleerderijen van verschillende klassen,

c. stokerijen en distilleerderijen eenerzijds en bergplaatsen anderzijds,

en mits de stokerijen en distilleerderijen der le klasse zijn opgericht op een afstand van minstens 100 meter van iedere nering of verkoopplaats, waar Inlandsch gedistilleerd in het klein wordt verkocht2), en overigens de aangifte aan de gestelde eischen voldoet, deze in ontvangst te nemen. Van de eerste aangifte voor iedere fabriek en van den daarvan aan te houden hierna te noemen legger model No. 51, wordt door den ontvanger terstond een afschrift aan den Directeur van Financiën toegezonden, waarbij tevens wordt overgelegd een proces-verbaal van waterijking of meting model No. 52. Na daartoe van den Directeur voornoemd vergunning te hebben bekomen, reikt de ontvanger aan den aangever uit het register No. 20 (blz. 251 van het Modellenboek) een bewijs van ontvangst der gedane aangifte uit, welk bewijs strekt tot toelating van de stokerij of distilleerderij.

Is evenwel de opgerichte stokerij niet voorzien van inrichtingen om al het vervaardigde gedistilleerd in afgesloten vergaderbakken of dergelijke op te vangen, dan mag vorenbedoeld bewijs eerst worden afgegeven als eene door den Directeur van Financiën voor ieder geval te bepalen geldsom (van minstens ƒ 500.— en hoogstens ƒ 5000.—), bij den ontvanger is gedeponeerd. Van

1) art. 10 O. G.

2) art. 9 „ „