is toegevoegd aan uw favorieten.

Voorschriften betreffende de comptabiliteit in Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ningen gesteld op de bescheiden, bedoeld in het eerste lid van artikel 9.

Art. 9. (Staatsblad 1912 No. 12). (1) De bescheiden, door de schuldeischers tot staving van hunne vorderingen over te leggen, moeten aantoonen, dat aan de voorwaarden is voldaan, waarop de vordering zich grondt, en worden overigens opgemaakt in den vorm bij algemeene of bijzondere voorschriften vastgesteld, of door de Algemeene Rekenkamer, in overleg met de Hoofden der betrokken departementen van algemeen bestuur, bepaald.

(2) In geval de vordering in dadelijk verband staat met eene tegenvordering, wordt zulks op de bewijzen, door de landsdienaren af te geven, bekend gesteld.

(3) Andere dan origineele bewijsstukken tot staving van eene vordering worden — behoudens het geval dat de oorspronkelijke stukken zijn ingediend bij een landsbureel en daarna, buiten schuld of toedoen van den schuldeischer, in het ongereede zijn geraakt — niet aangenomen, dan wanneer twee personen zich schriftelijk en ten genoegen van hem, die de betaalbaarstelling verleent, verbinden als borgen van den schuldeischer tot teruggaaf van de som, welke later blijken mocht meer dan ééns te zijn betaald. Van deze verplichting tot borgstelling zijn vrijgesteld alle schuldeischers, die betaling vorderen ter zake van werken, leveringen of transporten, welke zij niet verplicht waren voor den Lande op crediet te verrichten.

(4) Andere exemplaren of afschriften van bewijsstukken worden aan de belanghebbenden niet uitgereikt, dan op uitdrukkelijke machtiging van het Hoofd van het betrokken departement van algemeen bestuur of van het betrokken Hoofd van gewestelijk bestuur, nadat de noodzakelijkheid daarvan voldoende gebleken is.