is toegevoegd aan uw favorieten.

Eenige fragmenten uit toestanden in Nederland en Insulinde, beschouwd uit een christelijk economisch standpunt en voorgelegd aan het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er moet meer geld zijn om den Inlander op te kunnen heffen uit zijn isolement van onbeschaafdheid. De bamboegordijn, die hem nog van den Europeaan scheidt, moet verbroken worden. De veertig millioen gulden, eenige jaren geleden door het moederland aan Indië geschonken, in verband met het feit dat Nederland in vroegere jaren millioenen van Indië heeft genoten, moeten direct dienen tot verbetering van den Inlander zelf en niet gebruikt worden om vrijwel noodelooze betrekkingen openbaar te maken, d.w.z. ginds nog meer bureaucratie in te voeren.

Men kan dit doen in navolging van hetgeen het moederland zelf heeft gedaan, hoewel niet zoo ingewikkeld en grootscheeps. Zoo moet men uitzenden onderwijzers, gemoedelijke, geen geleerde menschen, die evenwel practisch verstand hebben van landbouw en die, onder de bevelen van een practisch aangelegden chef van het landbouwdepartement, over kunnen gaan eene welvarende landbouwklasse te vormen.

Buiten het geleidelijk afschaffen der heerendiensten, moet den Inlandschen landbouwer zijn grondbezit deugdelijk verzekerd worden. Hij zal zich dan gelukkig gevoelen en zich meer en meer geven, als hij ook de vruchten plukt van hetgeen hij heeft geleerd. Zijn wij zoover, dan krijgen wij twee dingen, eerstens dat de Inlander zijne onverschilligheid en luiheid zal afwerpen en tweedens maakt men daardoor den band tusschen hem en den westerling sterker.

Dan zullen wij het grootsche gevolg zien dat er minder militairen noodig zijn, want de Inlander zal gelukkiger worden en tot welvaart en ontwikkeling komen.

In- en uitvoerrechten acht schrijver afkeurenswaardig, omdat wij niet in engen kring voor elkaar moeten werken. De plaats, waarop wij gezet zijn, is niet voor een eng plekje, maar voor het internationalisme. Wij zijn in Nederland weliswaar gezét als bewoner van dat Rijk, maar mogen niet afdalen. Men spreekt wel eens, in een zeker verband, van God en Frankrijk en acht beiden nauw verbonden. Maar God is toch voor alle landen ! Wij moeten voor ons allen zijn en zoo heeft het eene land geen recht het andere te belasten. Allen moeten wij genieten van het werk door anderen voortgebracht. Wat wij door invoerrechten binnen krijgen, moeten wij betalen aan het land, waar wij invoeren. Het is eene circulatie van geld, dat in de zakken van den sterkere en machtige blijft zitten en als zoo-