is toegevoegd aan uw favorieten.

Een jaar onder de Karo-Bataks

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na een kleine terreininzinking te zijn doorgegaan kwamen wij aan een klapperaanplant, die diep onder het onkruid stond. „Daar moest een dorp zijn", dacht Amat. Niet lang daarna z^gen wij dan ook een Batakhuis en stonden wij voor de stevige haag die het dorp omringde. Na de haag overgeklommen te zijn, zagen wij een dorpserf met een achttal huisjes er om heen. In het midden stond een huis zonder wanden, dat ze de djamboer noemden. Ik heb er nu goed kennis medegemaakt -en noem het de „soos"; hier is de recreatiezaal voor de mannen en jongelingen; hier slapen ze ook, nl. de jongens en weduwnaars; hier breidt men netten; hier speelt men schaak; hier — maar dat hoor je alles later nog wel.

Een oude man en twee kleine jongens waren in de djamboer; de oude man knutselde aan een vischfuik en de jongens lagen op matjes lusteloos rond te kijken. Gewasschen hadden zij zich nog niet dien dag, en gebaad zeker ook nog niet, terwijl hun blauw kaintje ook wel eens gewassohen mocht worden. Lang hield ik mij daar niet op, want ik wilde zoo ver mogelijk nog dien dag komen. Na dus den te volgen weg gevraagd te hebben, gingen wij weer heen en kwameTi op een smal paadje, dat door pisang- en klapperaanplantingen leidde. Aan onze rechterhand bruiste een rivier, de Bengen geheeten en deze rivier zouden we steeds stroomopwaarts moeten volgen. Al spoedig was de klapperaanplant voorbij en liepen wij op een verlaten plantweg, tusschen alang-alang en jong bosch. De oude man had die plantweg een „pasar" genoemd, maar met den besten wil ter wereld kon ik er geen straatweg in zien. Een smalle geul, soms zich verbreedend tot een modderplas, hier dalend om een waterloopje over te stappen en dan weer steil omhoog, was alles wat weg kon heeten. De „straatweg" slingerde zich langs tallooze heuvels heen, steeds het dal van de Bengen volgend ; door het