is toegevoegd aan uw favorieten.

Een jaar onder de Karo-Bataks

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eiken dag regent het hier- Als het dak er nu maar op ligt, dan kan het binnenwerk vlugger opschieten.

29 Maart.

Daar zit de laatste dagen iets in de lucht— ik en weet niet en wat! Iets vroolijks, iets van blijdschap, iets van licht. De zon schijnt jeugdiger en warmer, de wind brengt geuren mede die iemand licht bedwelmen, muziek ruischt er door de bosschen, muziek zingt het stroompje beneden mijn stukje grond; de tred is lichter, de oogen der menschen glanzen, daar zit een drang tot daden in de lucht. Men zou kunnen zingen als men door de bosschen loopt, een Meilied, een minnelied, een lied van vroolijke avontüien.

Het is lente, dat voel je hier ook. Hoe is het zoo ineens gekomen? Was je maar hier, dan kon ik me eens uiten; al loopen de menschen hier met dezelfde gevoelens rond, het zijn en blijven Bataks, ze uiten zich anders dan wij. En soms bekruipt me de vrees, dat ik hier nooit een natuurmensch zal worden, en helaas! ook nooit zal willen worden in den zin van de natuurmenschen hier. En tocheok hier is alles bewogen door die geest die thans door

de lucht vaart.

Si Napai, een leuke jonge deern, heeft als regel gesteld, haar leuke snoetje alleen maar te wasschen op hooge feestdagen. Als je dat werkelijk lieve gezichtje ziet, vol vieze strepen en vlekken—ik wed om veel liefs, dat je de iust vergaat ze een zoen te geven. Sterker nog, je kiijgt het niet over je hart het te doen. Ook dat aardige kind is aangegrepen door die lentebeving die door het land vaart. Mijn Lewet is ook niet meer te houden; met een einstig gezicht loog hij gisteren, dat hij nu zijn ouders op het veld moest gaan helpen. Ik wist wel dat hij nooit een -lag uitvoert voor zijn ouders, maar al sedert een paar dagen liep hij treurig rond en voelde ik dat hij iets vragen wou. Nu, ik heb hem verlof gegeven, anders zou hij het toch genomen hebben.