is toegevoegd aan uw favorieten.

Een jaar onder de Karo-Bataks

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijd van den dag. Ik sprong- het bed uit en ging naar buiten. Het schemert nog, beneden mijn huis babbelt en kabbelt het beekje; de dag komt traag aankruipen over den oostelijken bergrug; de vogels beginnen zich te laten hooren en benedenstrooms zie ik de fijne blauwe rook uit enkele huizen opstijgen. Hanen kraaien, varkens hoor ik knorren; een buffel, door een man geleid, komt naar de weide achter mijn huis loopen. Alles geschiedt in stilte, alles ademt vrede; ik houd den adem in om de stilte niet te verstoren. God is in zijn heiligen tempel. Amen.

Gevoelt een Batak ook zoo iets? Ik weet het niet — ze lijken mij wel gevoelig, zelfs overgevoelig, maar ze staan eer vreesachtig tegenover die geweldige natuur dan met vreugdevolle bewondering. Benige dagen geleden bracht Pa Gori mij naar de plaats van hun vrees. Aan het eind van dit dal op een smalle heuvelkling lag de offerplaats van het dorp. Daar woont een heel geestendorp met een vorst aan het hoofd. Bij epidemiën of andere rampen gaat men daar zijn offers brengen. Een geit, een kip en wat rijst zijn de gewone offers. De dieren laat men daar los, het worden de „huisdieren van de geesten" genoemd. Niemand zal zulk een dier vangen of dooden, het blijft aan zijn lot overgelaten. Pa Serpi die mij dit mededeelde vertelde tevens dat hij bij een pokkenepidemie de gelofte afgelegd had een geit te zullen offeren, wanneer de kampong van die ziekte verschoond bleef. En daar de kampong van die ziekte verschoond bleef, had hij werkelijk daar een geit losgelaten.

De plaats zelf vertoont niets bijzonders, het is een open plek met de bekende draceanae beplant.—

Dit is de eerste brief uit mijn eigen huis — in de keuken woont nu Genep, dit om je gerust te stellen, dat ik hier 's nachts niet moederziel alleen ben. Morgen ga ik naar Tandjong Poengo, de moederkampong, waaraan mijn kampong ondergeschikt is. Men heeft mij uitge-