is toegevoegd aan uw favorieten.

Een jaar onder de Karo-Bataks

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij giimlachtte, dat was genoeg om haar sterk te doen zijn; hoe zou zij hebben durven weigeren als de toean het bevolen had?

— „Ik zal het doen", zei ze onderdanig en een lichte ■trek kwam op haar gelaat.

Wij namen afscheid -— verder ging het den bergrug op. Overal kan men door het bosch heenzien. De grond is schoon, alleen hier en daar is de doorgang versperd door het omgehakte ondèrbosch. Overal schreeuwende stemmen van jongens en giechelende van meisjes, hier en daar kraakt het hout, het kapmes viert hoogtij. De zon schijnt vroolijk en overal waar de open plekken het toelaten, kijkt zij door het bladerdak en toovert tapijten van alle kleuren op den grond. Beneden ligt het dal in den vollen gloed en het beekje ruischt en komt verderop als een lint van zilver te voorschijn.

De sawahs liggen nog diep onder het onkruid, eerst later komen zij aan de beurt om bewerkt te worden. Toch verraden de dijkjes, dat hier de menschenhand gewerkt heeft, en als menschenhand en natuur samen gaan, dan ontstaat de ware schoonheid in de natuur.

Nu nog even onze wethouder, Pa Boengamin, opzoeken. Zijn veld had ik immers mede helpen bewerken. Spoedig was de plek bereikt, maar de armelijke hut was verdwenen en in de plaats daarvan stond daar een stevig tuinhuisje met atap gedekt. De omtrek was schoongewied en reeds met pisang, suikerriet en oebi beplant, 't Zag er alles echt gezellig uit, en het lokte mij aan er te blijven. Twee paar ijverige handen hadden in korten tijd uit de wildernis een beschaafd plekje geschapen en men voelde zoo echt: hier was hun rijk, hier was hun gebied ; een rijk van arbeid, maar ook van stille vreugde in Gods rijke natuur. De plek zelf getuigde van die liefde voor hun bergland, want een schitterend uitzicht genoot men van deze plek. Zulke menschen in een stad verplaatsen zou hun dood beteekenen.