is toegevoegd aan uw favorieten.

Een jaar onder de Karo-Bataks

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17 October.

Het is vreeselijk, maar Pa Boengamin vertelde het mij als waar zijnde —■ in het dorpje Poengo djahe is een vrouw bij de geboorte van haar kindje gestorven, het kindje leefde. Samen heeft men ze begraven, want het kindje is later ook gestorven. Pa Boengamin vertelde dat men vroeger vaak aan geen natuurlijken dood van het kindje behoefde te denken. Ook ditmaal is de djaksa geroepen 0111 onderzoek te doen.

24 October.

Weer regen-regen-regen. Het is een heele kunst de dagen door te komen, vaak ziet men mij in de djamboer OMi den tijd met schaken te dooden. O hoe kan ik soms hevig verlangen even in een stad rond te loopen, net gekleed menschen te zien en te spreken en van allerlei te hooren en te genieten. Wat is het leven van deze menschen arm, hoe beperkt is de stof om te praten. Hoe moeilijk is het ook om al,les bij elkaar te krijgen en te houden.

Het is thans de tijd dat men zijn rijstschuiirtjes moet repareéren of nieuw bouwen. Eerst moeten ze naar het bosch om palen of ander hout te kappen, dan moet het naar huis gesleept worden. Wegens de slechte wegen wordt alles zooveel mogelijk in het bosch bekapt met den dissel. Dan naar het dorp brengen, ook een moeilijke geschiedenis langs deze wegen. Staat eindelijk het geraamte overeind, dan een man opzoeken die sagopalmen heeft, daar haalt men de atap van. Of anders idjoek gaan zoeken. Is het dak gedekt, dan bamboe zoeken die geschikt is om gevlochten te worden, want niet elke soort is bruikbaar. Is die bamboe in het dorp, dan opensplijten en platkloppen.

Men vlecht meestal een ronde koker van ongeveer anderhalve meter hoog en van evenveel middellijn. Is deze gereed, dan haar op het vloertje zetten onder het dak