is toegevoegd aan uw favorieten.

Een jaar onder de Karo-Bataks

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dig gestemd. Nog eenige dagen, dan zou ik weg gaan van hier. Niemand weet dat ik voorgoed wegga, alleen Genep weet dat ik voor langen tijd ga. Hij krijgt mijn huisje, de laatste. nachten zal ik er alleen slapen, ofschoon die goede kerel al aanstonds iemand had gezocht om hem

te vervangen. Het is noodig dat ik wegga, en toch

met mijn nu verworven kennis zou ik veel voor de menschen kunnen doen. Maar ik ben £r niet geschikt voor, al is mijn zijn hier misschien niet geheel nutteloos geweest. Heel het dorp slaapt nu, laat ik ook gaan slapen.

i Maart.

Vandaag nogeens langs de velden geloopen. Genep liep mede net als vroeger; bij de hut van Pa Boengamin heb ik mijn huisje aan hem vermaakt, want anders komt Pa Gori en verklaart het voor zijn eigendom. Mijn andere vrienden, Pa Mandang, Pa Serboet, en nog zoovele anderen gegroet en aan de kinderen van Nande Gori heb ik al mijn zakmesjes, kralen enz. die ik in mijn onschuld medegenomen had om met deze „wilden te handelen, ten geschenke gegeven. Pa Gori, L,ewet en nog anderen ben ik uit den weg gegaan. Zij vormen de zwarte achtergrond waarop de lichte figuren van een Pa Boengamin, een Genep, een Nande Gori beter uitkomen. Dat zijn de braven die als overal de maatschappij schragen en dragen. Weinigen zijn zij in ge&l, maar zij geven hoop dat ook dit volk nogeens geestelijk en maatschappelijk hoogerop zal gaan.

Dezen nacht niet geslapen — het is vier uur in den morgen, de hanen kraaien. Mijn ransel is weer gepakt en gaat mee naar de „beschaafde" wereld. Zoodra het licht wordt ga ik stilletjes alleen weg. In mijn verbeelding zie ik den zegenenden Christus van Thorwaldsen en aan zijne voeten ook dit volk.

Einde.