is toegevoegd aan uw favorieten.

De regeling van het desabeheer (Sbl. 1906, no. 83) en die van het credietverband (Sbl. 1908, no. 542) getoetst aan de eischen van het inlandsch credietwezen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het oorspronkelijk communaal bezit onwikkeld, en wel daar waar de periodieke grondverdeeling voor eene meer blijvende had plaats gemaakt.

Bij communaal bezit met vaste aandeelen herkrijgt de desa de beschikking over eenig aandeel eerst, indien de tijdelijke bezitter niet langer als lid der desa kan worden aangemerkt In zulk een geval gaat men dan b. v. tot eene nieuwe verdeeling over, of wel, men geeft het vrijgevallen stuk grond aan iemand, die genegen en in staat is, de plaats van den vorigen bezitter in de desa in te nemen. Waar het bezit door het overlijden van den bezitter vrijkomt, komt vanzelf een zijner naastbestaanden voor opvolger in dat bezit in aanmerking, althans indien deze volwassen is, dus in staat om niet alleen het land te bewerken, maar ook de daaraan verbonden dienstpraestaties te vervullen. Als vanzelf is daartoe de oudste, volwassen zoon, die tot dusverre zijn vader tijdens den arbeid geholpen had, aangewezen; of anders de schoonzoon, die bij zijne schoonouders was komen inwonen. Zijn de kinderen te klein, om zelf den arbeid op zich te nemen, zoo wordt toch veelal het stukje grond aan de familie gelaten, indien het hoofd ervan (hetzij de moeder of anders een bloedverwant van een der ouders) slechts zorgt voor iemand, die de noodige diensten kan praesteeren. Dat daar, waar zulk eene toewijzing van bezit aan naastbestaanden min of meer geregeld plaats vond, dezen allengs daarop een recht verkrijgen, ligt voor de hand. Wat slechts adat was werd adatrecht; (*) de regelmatige toewijzing aan zekere naastbestaanden vervormde zich allengs tot eene soort van erfrecht ten aanzien van het grondbezit, volkomen adaequaat aan de eigenaardige behoeften der desahuishouding. En zoo ontstond — naar ik mij voorstel — het dusgenaamde erfelijk individueel bezitsrecht.

Een sterk argument voor mijne opvatting vind ik in het feit, dat het Mohammedaansch erfrecht, dat overigens door

C) Zie over dezen term: Porf. Mr. C. van Vollenhoven, „Het Adatrecht van Nederlandsch Indië." pp. 8 v.