is toegevoegd aan uw favorieten.

De regeling van het desabeheer (Sbl. 1906, no. 83) en die van het credietverband (Sbl. 1908, no. 542) getoetst aan de eischen van het inlandsch credietwezen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verleening en vestiging van credietverband vloeien dus ook hierbij in elkaar; echter niet zoodanig, dat . zij in ééne handeling worden opgelost, maar dat de beide daarvoor vereischte handelingen elkander onmiddellijk opvolgen, terwijl de inschrijving bovendien ambtshalve moet geschieden. Ware het niet veel eenvoudiger geweest, beide handelingen in één te smelten door te bepalen, dat de credietverbandakten zeiven het register dienden uit te maken, zooals de akten van den burgerlijken stand?

Of moeten wij aannemen, dat het stelsel van Sbl. 1834 110. 27 gevolgd is, en dat — zooals het begin van a. 1^5 C. V. dan ook zegt — het verband reeds door het verlijden der akte wordt gevestigd, terwijl de inschrijving in het bij al. 4 bedoeld register niet anders vormt dan eene soort, van boekhouding, waarmede de buitenwereld feitelijk niets te maken heeft? Maar als dit zoo bedoeld is, dan vraag ik, waarom a. 33 C. V. zoowel de akten als de registers openbaar verklaart, zoodanig dat zij voor een ieder ter inzage liggen? De openbaarheid der registers zou dan niet den minsten zin hebben. Daarbij komt, dat deze bepaling bijna woordelijk ontleend is aan a. 1224 (1265) B. W., welk artikel alleen in het stelsel van het B. W. past. (') De registers van a. 24 Overschr. zijn uit den aard der zaak niet openbaar; de griffier resp. gewestelijke secretaris is slechts verplicht tot afgifte eener verklaring betreffende de eventueel ingeschreven hypotheken (a. 38 Invoerings- en Overgbepp.), welke verplichting bij a. 33 C. V. trouwens ook den ambtenaar van art. 15 is opgelegd.

En ik vraag verder: Wat moet dan a. 16 C. V. beteekenen, waarbij bepaald wordt, dat credietverband tegen-

(') Me;i zij eraan indachtig dat met de „acten", in a. 1224 B. W. niet de origineels hypotheekakten bedoeld worden (immers die zouden, indien het stelsel van het B. W, gevolgd werd, bij den notaris berusten; thans bestaan geene „acten, ter openbaarmaking geboekt"), maar de afschriften dier hypotheekakten, bedoeld in art, 1186 en v. B. W. (welke artikelen eenigszins anders luiden dan de overeenkomstige artikelen van het Nederlandsch B. W.).