is toegevoegd aan uw favorieten.

De regeling van het desabeheer (Sbl. 1906, no. 83) en die van het credietverband (Sbl. 1908, no. 542) getoetst aan de eischen van het inlandsch credietwezen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar wordt uitgekeerd (a. 25 C. V.; verg. a. 1205 B. W.). Alleen is het wel eigenaardig, dat ook de kosten hierbij genoemd zijn, terwijl eene bepaling in den geest van art. 1139, le B. W. gemist wordt (zie § 36), en de kosten toch ook niet, zonder meer, als in de credietverbandsvordering begrepen mogen worden aangemerkt.

Heeft de derde bezitter de schuld voldaan, of is het goed daarvoor uitgewonnen, zoo heeft hij „ zijn verhaal tot vrijwaring tegen den schuldenaar," zegt a. 28 C. V. in navolging van a. 1208 B. W. Dat dit verhaal met vrijwaring niets te maken heeft, is ettelijke keeren t. a. v. art. 1208 (1252) B. W. door verschillende schrijvers opgemerkt! Hoe hetzij, de derde bezitter kan dus, hetgeen hij door vrijwillige betaling of uitwinning armer is geworden, van den schuldenaar terugvorderen.

§ 41. Zoogenaamde subrogatie (a. 22 en v. C. V.)

Dit recht van verhaal vindt zijn grond niet in subrogatie van den derden bezitter in de rechten des schuldeischers; hij verkrijgt dit recht van verhaal als een eigen recht krachtens a. 28 C. V.

Wèl zou art. 22 C. V. dit doen denken, maar alsdan zou a. 28 overbodig zijn. Volgens a. 22 nl. zou de derde bezitter, die hetzij vrijwillig hetzij bij uitwinning de schuld heeft gekweten, „uitkracht der wef in de rechten des schuldeischers getreden zijn. Uit kracht van welke wet? vragen wij. Daarop zal de steller van art. 22 C. V. het antwoord wel schuldig moeten blijven. Die woorden zijn blijkbaar geheel kritiekloos uit a. 1202 B. W. (waar men althans nog aan a. 1402 [1438] 3e B. W. zou kunnen denken) overgenomen. Laat ons het er maar voor houden, dat deze subrogatie krachtens a. 22 C. V. zelf, dus „van rechtswege", plaats heeft; maar dan ook slechts beperkt tot de in dat artikel bepaalde gevolgen! Met name zal de nieuwe schuldeischer geen recht tegen de borgen kunnen doen gelden, indien de schuld ook door borgtocht was gedekt; van eene subrogatie mocht dus feitelijk niet worden gesproken.