is toegevoegd aan uw favorieten.

De regeling van het desabeheer (Sbl. 1906, no. 83) en die van het credietverband (Sbl. 1908, no. 542) getoetst aan de eischen van het inlandsch credietwezen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gehandhaafd, maar een niet te miskennen inbreuk op het zakelijk karakter van het credietverband gemaakt. Dit was te minder noodig, daar, behalve ten aanzien van verloren en gestolen goederen, op dien regel toch uitzondering wordt gemaakt in geval de vervreemding geschiedt zonder verwijdering van den grond. Immers ook dan kan een derde door tradilio longa manu als vol bezitter van den oogst worden aangemerkt.

Het kan zijn, dat de wetgever zich heeft voorgesteld, door deze bepaling de regeling van het oogstverband analogisch te hebben gevolgd. Er zijn nl. juristen, die meenen, dat het oogstverband slechts zoo lang op den oogst blijft rusten als deze onder den producent ter verwerking blijft, niet meer na aan derden te zijn geleverd; men meent dit uit a. 6 Oogstv. te moeten lezen. M. i. is deze opvatting minder juist. (Zie a. 5 en 17 Oogstv.).

Ten allen overvloede merk ik op, dat a. 29, 3e C. V. niet geldt voor den oogst en andere met den grond verbonden goederen, die zich bevinden op gronden, welker bezitsrecht reeds door credietverband was bezwaard. Op dergelijke goederen toch wordt krachtens a. 4 C. V. credietverband gevestigd als sequeel van het reeds bestaande verband, omdat die goederen als bijzaak de hoofdzaak volgen. Het verband daarop gaat dus teniet, zoodra die goederen roerend zijn geworden, althans van de hoofdzaak zijn afgescheiden in den zin der in a. 4 C. V. aangehaalde wettelijke bepalingen (verg. §§ 17 en v).

Ten slotte gaat credietverband volgens a. 29, 4e C. V. teniet door de gerechtelijke uitwinning ten verzoeke van den houder der grosse van credietverband" (verg. § 35. (') Wij mogen ons over deze bepaling verheugen; zij is eenvoudig en begrijpelijk: de executie, hoe zij ook moge uitvallen, doet het credietverband eindigen; geen gerech-

(1) Het spreekt van zelf dat, indien de opbrengst niet voldoende is om het verschuldigde in zijn geheel te voldoen, de vordering voor het resteerende blijft bestaan, doch ongedekt.