is toegevoegd aan uw favorieten.

De regeling van het desabeheer (Sbl. 1906, no. 83) en die van het credietverband (Sbl. 1908, no. 542) getoetst aan de eischen van het inlandsch credietwezen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doch, niet voldoend op de h^gte van den werkelijken toestand in de inlandsche maatschappij, gelijk hare samenstelling uitsluitend uit juristen .... mocht doen verwachten—achtte zij een speciale regeling, gelijk de Indische regeering die beoogde, uit den booze, en meende zij, dat het credietverband door ieder ten zijnen behoeve zou moeten kunnen worden gevestigd. I)e motieven, door de Indische regeering aangevoerd, om zulks niet te doen .... werden ondervangen door een betoog, waar menig economist nog wel zeer tegenop zoude zien. Het verdiende toch, maar de meening van de commissie, aanbeveling om juist den woekeraars ook de mogelijkheid te openen het credietverband te vestigen; daardoor toch zouden zij meer zekerheid over hunne vorderingen krijgen; dit zou hunne onderlinge concurrentie doen toenemen en hierdoor zou de rente dalen, die de inlander over te leenen gelden betaalt! Zoo slaat het, naar mij uit zeer goede bron verzekerd werd, te lezen in een bij eene ministerieele dépêche overgelegde nota der commissie. Ik meen, dat na de rente-theorie van Von Böhm Bawerk de vraag over de hoogte der rente in dien zin als opgelost kan worden beschouwd, dat de waardeverh mding tusschen tegenwoordige en toekomstige goederen de rtnte regelt, met andere woorden, dat de kapitaalvoorraad met de vraag daarnaar de hoogte der rente bepaalt. Of de concurrentie hier iets meer zou vermogen dan degenen, die aan crediet behoefte hebben, beter op te sporen, dat wil dus zeggen de vraag naar kapitaal te vergrooten en dus bij gelijken kapitaalvoorraad de rente te doen stijgen, is hoogst twijfelachtig en het schijnt mij, ondanks de theorie der commissie, ook maar veiliger zich aan Von Böhm Bawerk te houden.

Of verwachtte de commissie, dat vele kapitalen nu elders belegd, nadat de mogelijkheid tot het vestigen van een verband op Inlandsche grondrechten geopend was, zich op het credietwezen in de Inlandsche maatschappij zouden toeleggen? Dan zag zij echter voorbij, dat dit in het geheel geen voordeel is in eene samenleving, wier leden zoo lichtvaardig gebruik zullen maken van elke gelegenheid tot het leenen van geld, onder welke voorwaarden ook, als de Inlanders. Neen, een min of meer filantropisch credietwezen, uitgaande van het beginsel, dat de credietgever tevens moet opvoeden, dat is het wat die maatschappij nog langen tijd alleen noodig heeft. Was dus de redeneering der commissie gelijk ik zooeven aangaf, dan gaf de commissie hierdoor een blijk dat zij de Inlandsche maatschappij en hare behoeften niet voldoende kent.

Over de same istelling van de algemeene verordening valt niet veel te zeggen. He geest van artikel 75 R. R., zooals de commissie dit blijkbaar opvat, en wil helpen tot uitvoering brengen, leidt er toe, dat men zooveel mogelijk een copie van het Vaderlandscbe hypotheekrecht trachtte te maken. Waar men daarvan afweek, was men trouwens nog niet eens altijd gelukkig. Enkele bepalingen echter wettigen een nadere bespreking.