is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzameling van de sinds 1850 in het Staatsblad opgenomen Koninklijke vernietigingsbesluiten in afdeelingen chronologisch geordend, toegelicht door korte weergave van den inhoud en analyseerende aanteekeningen en voorzien van verschillende klappers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

provincie gerezen, te minder, waar volgens de Grondwet art. 146 (1840) en art, 132 (1848) die beslissingen bij den Koning behooren.

1. a. uitoefening van bevoegdheid in strijd met een provinciaal reglement. I). ongrondwettige uiloefening van bevoegdheid.

2. a. bij provinciale verordening gegeven bevoegdheid mag niet worden uitgebreid.

I). grondwettige voorschriften moeten worden in acht genomen.

3. a. interpretatie van het artikel van het provinciaal reglement uit zichzelf: er wordt uitgemaakt, dat de beslissing ten onrechte daarop is gebaseerd. t). interpretatie van het grondwettig voorschrift uit zichzelf, in zooverre wordt uitgemaakt, dat het in casu had moeten worden toegepast.

4. de vernietiging is gebaseerd:

a. op het zich ten onrechte beroepen op een ivettelijk voorschrift ingevolge

onjuiste opvatting daarvan;

b. op het niet volgen van den bij de Grondwet voorgeschreven weg.

Wij Willem III, enz.

Op liet rapport van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van den 29sten Junij 1851, no. 1, 2de afdeeling, waarbij vernietiging der besluiten van Gedeputeerde Staten der provincie Friesland, van 29 December 1846, 110. 74, 28 Januarij 1847, 110. 2 en 12 Maart 1850, 110. 32, wordt voorgedragen;

Overwegende, dat eerstgemeld besluit, waarmede de beide laatstgenoemde in onmiddellijk verband staan, eene beslissing inhoudt omtrent geschillen tusschen gemeenten van die provincie ten aanzien van het aandeel, dat zij in het onderhoud der Dockumer Ee moeten dragen;

dat die beslissing genomen is op grond van art. 6 van het Provinciaal reglement van Friesland, op het beheer en het onderhoud van wegen enz., goedgekeurd hij Koninklijk Besluit van 28 Augustus 1821, no. 78;

«dat dit artikel alleen betrekking heeft tot geschillen over onderhoudpligtigheid tusschen particulieren, daar het voorschrijft dat, vóór de beslissing partijen gehoord en berigt van de betrokken plaatselijke besturen ingewonnen zal worden;

dat volgens art. 146 der Grondwet van 1840 en art. '132 der tegenwoordige de geschillen tusschen gemeentebesturen aan Onze beslissing moeten worden voorgedragen, wanneer Gedeputeerde Staten die niet in der minne kunnen doen bijleggen ;

dat derhalve Gedeputeerde Staten van Friesland niet hevoegd waren de geschillen, tusschen gemeentebesturen hunner provincie gerezen over de verpligting tot onderhoud der Dockumer Ee. te beslissen en dus hunne te dier zake genomen besluiten in strijd zijn met de wet;

Gelet op art. 166 der wet van 6 Julij 1850 (Staatsblad no. 39):

Hebben goedgevonden en verstaan: de besluiten van Gedeputeerde Staten van Friesland van 29 December 1846, no. 74, 28 Januarij 1847. no 2 en 12 Maart 1850, 110. 32 te vernietigen.

Onze Minister enz.

's Gravenhage, den 2den Julij 1851.

(get.) Willem. De Minister van Binnenlandsche Zaken, (get.) Thorbecke.

NO. 5. Koninklijk Besluit van 7 Augustus 1852 (Stbl. n". 138) tot vernietiging van een besluit der Gedeputeerde Staten van Drenthe dd. 30 Maart 1852 n°. 14 in zake nationale militie.

Daar de loteling H. Ottens niet, zooals bij de militiewet (1817) art. 94 § h h, wordt gevorderd, ten minste gedurende de twee laatste jaren vóór zijne inschrijving het beroep van buitenlands zeevarende heeft uitgeoefend, is hem ten onrechte op dien grond door den militieraad vrijstelling van den dienst bij de militie verleend en is dus het besluit van Gedeputeerde Staten, waarbij die vrijstelling in beroep is gehandhaafd , in strijd met de wet.

1. onwettige uitoefening van bevoegdheid.

2. bij de wet gestelde voorwaarden mogen niet worden verwaarloosd.

3. interpretatie van de wetsbepaling uit zichzelf, in zooverre zij in casu geschonden wordt verklaard.