is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzameling van de sinds 1850 in het Staatsblad opgenomen Koninklijke vernietigingsbesluiten in afdeelingen chronologisch geordend, toegelicht door korte weergave van den inhoud en analyseerende aanteekeningen en voorzien van verschillende klappers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Staatsblad 110.11) en op het Koninklijk besluit van den 28 Mei 1825, no. 145;

Gezien art. 133 der Grondwet;

Den Raad van State gehoord (advies van den Isten dezer, no. 11);

Hebben goedgevonden en verstaan, het voorschreven besluit van Gedeputeerde Staten van Zeeland bij deze te vernietigen.

Onze Minister enz.

Walferdange, den 5den Junij 1855.

(get.) Willem.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, (get.) Van Reenen.

N°. 10. Koninklijk Besluit van 23

Junij 18o5 (Stol. n°. 45) tot vernietiging van een besluit der Gedeputeerde Staten van Zeeland dd. 4 Mei 1855, n°. 19 in zake nationale militie.

Waar de bepalingen van art. 91, § e der militiewet (1817) bij de wijzigingswet van 1820 (artt. 15 en 16) zijn vervangen en o. a. in dien zin zijn gewijzigd, dat nog alleen wordt

gesproken van de vrijstelling van eenige zoons, die tevens eenig kind zijn, en niet meer van achtergebleven zoons, is die vrijstelling niet meer van toepassing op zoons, wier

ouders zijn overleden, en hebben dus Gedeputeerde Staten ten onrechte den loteling A. J. Geluk, die reeds vier jaren als eenig kind telkens van den dienst werd vrijgesteld, ook thans, na het overlijden zijner ouders, met afwijking van de uitspraak van den militieraad, als eenig achtergebleven kind finaal vrijgesteld.

1. onwettige uitoefening van bevoegdheid.

2. bij het nemen van beslissingen moet met de geldende wetsbepalingen worden te rade gegaan.

3. interpretatie, waar wordt uitgemaakt, dat de artikelen 15 en 16 der wet van 18*20, art. 01, § e der wet van 1811 vervangen, en laatstgenoemd artikel dus niet meer naast de eerstgenoemde artikelen mag worden toegepast;

interpretatie van art. 16 uit vergelijking met vroegere bepalingen: waar achtergebleven zonen niet meer worden genoemd, is de vrijstelling niet meer op hen van toepassing, en onder achtergebleven zonen zijn ook begrepen zonen, wier ouders zijn overleden. 4. de vernietiging is gebaseerd op het gronden der beslissing op eene bepaling , die moet geacht worden, bij wetswijziging te zijn vervallen.

Wij Willem III, enz.

Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken van den 14den

Junij 1855, no. 1G7 (4de afdeeling), trekkende tot vernietiging van een besluit van Gedeputeerde Staten van Zeeland, van den 4den Mei 1855, no. 19, waarbij aan den loteling Adriaan .1 o hannes Geluk, uit de gemeente Oud- Vossemeer, die, na bij de ligtingen der Nationale Militie van 1851, 1852, 1853 en 1854, als zijnde eenig kind, krachtens art. 16 der wet van den 27sten April 1820 (Staatsblad no. 11), telkens voor één jaar van de dienst te zijn vrijgesteld, thans, bij uitspraak van den militieraad, voor de ligting van 1855, wegens overlijden zijner ouders, tot de dienst is aangewezen geworden, op het van de uitspraak door hein gedaan beroep, finale vrijstelling als eenig achtergebleven kind, op grond van art 91, § e der wet van 8 Januarij 1817 (Staatsblad no. 1). wordt verleend ;

Gezien art. 91 . § e der wet van den 8sten Januarij 1817 (Staatsblad no. 1), waarbij finale vrijstelling is toegekend aan alle eenige wettige zonen, gelijk ook bij overlijden van de beide ouders aan alle eenige, wettige kleinzonen, en voorts, bij overlijden der ouders en grootouders, mede aan alle eenige achtergeblevene zonen en kleinzonen;

Gelet op art. '15 der wet van den 27sten April 1820 (Staatsblad no. 11), bepalende, dat de vrijstelling van eenige wettige zoons, slechts voor een jaar, en alleen zal worden verleend in het geval, dat zij voor hunne ouders of, bij overlijden derzelve, voor hunne grootouders den kost winnen, en voorts op art. 16 van diezelfde wet, houdende, dat de eenige wettige zoon, welke tevens eenig kind is, in allen geval (dus ook zonder kostwinner te zijn) voor een jaar zal worden vrijgesteld;