is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzameling van de sinds 1850 in het Staatsblad opgenomen Koninklijke vernietigingsbesluiten in afdeelingen chronologisch geordend, toegelicht door korte weergave van den inhoud en analyseerende aanteekeningen en voorzien van verschillende klappers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden aangenomen, dat het onverschillig is, of de bepaling van den , in elk geval verplichten , diensttijd op genoemde wijze plaats vond, dan wel volgens de thans geldende wet (1861 — art. 50 sub 6° en 7°) bij uitspraak van den militieraad of van Gedeputeerde Staten geschiedde.

II. onwettige uitoefening van bevoegdheid.

■2. de wet moet meer naar het daarin neergelegd beginsel dan naar de letter worden toegepast: met de omstandigheden der vroegere wetgeving moet worden rekening gehouden. :3. interpretatie, waar het beginsel, gelegen in art. .30, wet 1801, wordt uiteengezet;

interpretatie, waar wordt uitgemaakt, dat aan de voorwaarde voor vrijstelling is voldaan, zoo slechts de verplichting om niet langer dan drie jaar te dienen, aanwezig is, hetzij die uil de bestaande dan wel uit de vroegere wellen voortvloeit. 4. de vernietiging is gebaseerd op het in strijd met het in de wet neergelegd beginsel zich houden aan daarbij met name genoemde gevallen, die alleen terugslaan op de bestaande wetgeving, met verwaarloozing van gelijke, doch uit de vroegere wetgeving voortvloeiende gevallen, waarop het beginsel evenzeer van toepassing moet worden geacht.

Wij Willem 111 enz.

Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van den '19den Mei jl., no. 283, 4de afü., betreffende een verzoek van Jan Geesink te Borculo, vader van Willem Geesink, loteling van de ligting der natio;na.le militie van 1861, bij Ons in beroep komende van de uitspraak van Gedeputeerde Staten der provincie Gelderland, van den 19den Maart jl., no. 29, waarbij de uitspraak van den militieraad in het 2de militiedistrict van die provincie, van den 11 den van die maand vernietigd en 'Willem Geesink voor de dienst aangewezen is;

Den llaad van State gehoord, (advies van den 27sten Junij jl., no. 1);

Op de nadere voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken , van

den llden Augustus 1862, no. 250, 4de afd.;

Overwegende:

dat de loteling Willem Geesink is de tweede van drie zonen, waarvan de oudste in het jaar 1858 voor de militie heeft geloot;

dat deze doorzijn getrokken nummer, niet behoorde, onder de opgeroepenen voor het gewoon contingent tot het volbrengen van eenen vijfjarigen diensttijd, maar slechts opgeroepen werd om, overeenkomstig art. 15 der wet van den 8sten Januarij 1817 (Staatsblad no. 1) te worden ingelijfd voor het buitengewoon contingent, ter vervanging van eenen loteling van de ligting van het jaar 1856, die bij het corps ontbrak;

dat des adressants oudste zoon derhalve , volgens art. 2 der wet van den 27sten April 1820 (Staatsblad no. 11), regt had op ontslag uit de dienst in het jaar 1861, in welk jaar de ontbrekende loteling, dien hij verving, zijnen diensttijd zou hebben volbragt;

dat de wet hem dus slechts tot eene driejarige dienst verpligtte;

dat hij deze dienst deed volbrengen door eenen plaatsvervanger;

dat volgens art. 50, 6° en 7° der wet van den 19den Augustus 1861 (Staatsblad no. 72), vrijstelling wegens broedeidienst wordt verleend, wanneer de broeder of zijn plaatsvervanger, na drie jaren bij de militie te hebben gediend, ten gevolge van eene uitspraak van den militieraad of \an Gedeputeerde Staten, uit de dienst is ontslagen;

dat de wet alzoo in beginsel vaststelt, dat eene driejarige dienst bij de militie van eenen loteling, die tot geene langere dienst was verpligt, voldoende is tot vrijstelling van zijnen broeder:

dat het onverschillig is, of de bepaling der dienst tot drie jaren een gevolg was van inlijving, krachtens de vorige wetten voor het buitengewoon contingent ter vervanging van eenen ontbrekende, dan van eene uitspraak van den militieraad of Gedeputeerde Staten krachtens de tegenwoordige wet;

dat, in beide gevallen de wet tot geene langere dienst verpligtte en aan de voorwaarde, om vrijstelling aan den broeder te kunnen verleenen, ook in het eerste geval, voldaan is;

dat derhalve de loteling Willem Geesink, des adressants tweede zoon,