is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzameling van de sinds 1850 in het Staatsblad opgenomen Koninklijke vernietigingsbesluiten in afdeelingen chronologisch geordend, toegelicht door korte weergave van den inhoud en analyseerende aanteekeningen en voorzien van verschillende klappers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13 Augustus 1891 (Stbl. no. 159) — no. 22 dezer afdeeling.) De rijksbijdrage voor den bedoelden

onderwijzer, die van 5 Mei tot ol December aan de school verbonden was, is ten onrechte door Gedeputeerde Staten berekend over 240 dagen of 8 volle maanden, doch moet over 7 volle maanden worden berekend.

Wij Emma, enz.

Beschikkende op het beroep, ingesteld door ileu Commissaris des Konings in Gelderland tegen het besluit van Gedeputeerde Staten dier provincie, dd. 1 April -1891 , no.99, genomen op de aanvrage van het bestuur der bijzondere lagere school aan den Kerkweg te Renkum, van de vereeniging tot stichting en beheer eener Christelijke school aldaar

. 1-1 x_ U „ 1. „

om over leyu ae miKsmjurage ie uckumen, bedoeld in art. 54bis der wet tot regeling van het lager onderwijs;

Den Raad van State, afdeeling voor de geschillen van bestuur, gehoord (advies van -1 Juli 1891, no. 82);

Op de voordracht van den Minister van Binnenlandsche Zaken, van 11 Augustus 1891, no 5862, afd. Algemeene Zaken en Comptabiliteit;

Overwegende, dat het bestuur der bijzondere lagere school aan den Kerkweg te Renkum, van de vereeniging +/*♦' ctïfiitino* pn hphppr ppner Christelijke

school te Renkum, in Januari dezesjaars aan Gedeputeerde Staten van Gelderland aanvraag heeft gedaan ten einde over 1890 voor deze school, die volgens de aanvrage op 31 December 1889 276 leerlingen telde, eene Rijksbijdrage te bekomen van ƒ966,60, ».1. ƒ400 voor het hoofd der school, gedurende het geheele jaar aan de school verbonden geweest, ƒ 200 voor ieder van twee onderwijzers, die mede het geheele jaar aan de school werkzaam geweest waren, / 116,62 door den onderwijzer J. van den Brink, als zeven volle maanden aan de school werkzaam geweest, en ƒ 49,98 voor de onderwijzeres W. M. Tyan, die gedurende drie maanden aan de school werkzaam geweest was;

dat Gedeputeerde Staten bij besluit van 1 April 1891, no. 99, hebben beslist, dat deze school voldoet aan de eischen en voorwaarden in art. bbbis der wet

] op het lager onderwijs tot het verleenen eener Rijksbijdrage gesteld, en het bedrag dier bijdrage hebben bepaald op ƒ 983,335, (laarbij overwegende, dat de bedragen voor den onderwijzer van den Brink

en de onderwijzeres i van moeien gesteld worden niet op ƒ 116,62 en ƒ 49,98, doch op ƒ 133,335 en ƒ 50. aangezien deze personen onderscheidenlijk 240 dagen of 8 maanden en 108 dagen of 3 volle maanden, werkzaam geweest zijn;

dat de Commissaris des Konings, van dit besluit bij Ons in-beroep komende, heeft aangevoerd dat voor den onderwijzer van den Brink de bijdrage slechts over 7 maanden berekend moet worden, vermits hij op 5 Mei aangesteld , op 5 December daaraanvolgende zeven volle maanden in dienst was geweest en het overschietend gedeelte dezer maand niet in aanmerking mag komen;

Overwegende, dat ingevolge art. 54bis der wet tot regeling van het lager onderwijs door het Rijk over elk dienstjaar aan de besturen der bijzondere lagere scholen eene bijdrage wordt verleend,

volgens denzeltden inaatstai, als waarnaar bij art. 45, sub 1° aan de gemeente ten behoeve der openbare lagere school eene bijdrage wordt toegekend;

dat volgens art. 40, i", laaiste annea der wet tot regeling van het lager onderwijs de Rijksbijdrage voor een onderwijzer die in den loop van het jaar wordt in dienst gesteld, tengevolge van ontslag de school verlaat of overlijdt , berekend wordt in evenredigheid van het aantal volle maanden , dat hij in dat jaar aan de school verbonden is geweest;

dat onder de uitdrukking „volle maanden" in art. 45, 1°, laatste lid der wet niet zijn te verstaan „tijdvakken van 30 dagen ', gelijk door Gedeputeerde Staten van Gelderland ten onrechte is afgeleid uit het antwoord door de Regeering gegeven op eene bij de behandeling dezer zinsnede gedane vraag der Commissie van Uncr uit de Tweede Kamer der

Staten-Generaal, maar dat uit dat antwoord , in verband beschouwd met de vraag, duidelijk blijkt, dat de bedoeling geene andere was, dan dat ook gedeelten van maanden in aanmerking zouden komen, mits een tijdvak van 30 dagen omvattende, en derhalve de wettelijke uitdrukking „volle maanden" niet geacht kan worden door „tijdvakken van 30

! dagen" te zijn vervangen;