is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzameling van de sinds 1850 in het Staatsblad opgenomen Koninklijke vernietigingsbesluiten in afdeelingen chronologisch geordend, toegelicht door korte weergave van den inhoud en analyseerende aanteekeningen en voorzien van verschillende klappers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen het besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid holland., dd. 20/22 September 1897 no. 34, waarbij de beslissing van den raad dier gemeente om hem als raadslid toe te laten is vernietigd;

Den Raad van State, afdeeling voor de geschillen van bestuur, gehoord (advies van 22 December 1897, no. 249);

Op de voordracht van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 7 Februari 1898, no. 69, afdeeling Binnenlandsch Bestuur;

Overwegende, dat genoemde Pij 1, die ingevolge het bepaalde bij art. 27 juncto art. 7 der Gemeentewet op den eersten Dinsdag van September 1897 als lid van den raad der gemeente Alblasserdam moest aftreden en bij de op 12 Juli 1897 gehouden stemming ter vervulling der periodieke vacatures als zoodanig niet is herkozen, bij de stemming ter voorziening in de vacature, die op 21 Juli daaraanvolgende door het overlijden van het raadslid D. van Wageninge was ontstaan, op 24 Augustus 1897 met 198 van de 380 geldige stemmen tot raadslid is benoemd en op 27 Augustus 1897 door den gemeenteraad is toegelaten, die het daartoe strekkend besluit op 7 September daaraanvolgende heeft hernieuwd;

dat J. H. Smit, lid van den Raad der gemeente Alblasserdam, uit krachte van art. 33 der gemeentewet van deze beslissing van den gemeenteraad bij Gedeputeerde Staten in beroep is gekomen op grond dat Pijl op het tijdstip waarop hij ter vervulling eener tusschentijds ontstane vacature gekozen werd, nog als raadslid zitting had en hij om die reden niet verkiesbaar was;

dat Gedeputeerde Staten bij hun aan

het hoofd dezes vermelde besluit, met vernietiging van het besluit van den raad der gemeente Alblasserdam van 7 September 1897, strekkende tot toelating van A. Pijl als lid van dat college, hebben verklaard, dat hij niet als lid van dien raad kan worden toegelaten; daarbij overwegende, dat art. 61 der vorige kieswet de bepaling bevatte, dat de in een stembriefje ingevulde naam van een lid der vergadering te wier aanvulling wordt gestemd, welks beurt van aftreding op het tijdstip, waarvoor de verkiezing geschiedt, nog niet is gekomen, voor niet geschreven wordt gehouden; dat hoewel deze bepaling in de thans vigeerende Kieswet niet wordt

gevonden, uit de rede volgt, dat één persoon in een zelfde vergadering niet gelijktijdig twee plaatsen kan vervullen, en dat derhalve Pijl, tijdens hij zitting had in den raad der gemeente Alblasserdam, niet voor de vervulling eener andere plaats in datzelfde college in aanmerking kon komen;

dat A. Pijl van dit besluit van Gedeputeerde Staten bij Ons in beroep is gekomen, Ons verzoekende, dit te vernietigen en te verklaren dat hij als lid van den raad der gemeente Alblasserdam moet worden toegelaten, daarbij aanvoerende: 1°. dat de wet van 4 Juli 1850 (Staatsblad no. 37) voor zooveel betreft de 1ste Afdeeling § 3 is afgeschaft bij art. 22 der wet van 28 April 1897 (Staatsblad no. 110) en dat het in art. 61 bedoelde geval, zich niet meer kan voordoen, nu uit op het stembiljet gedrukte namen gestemd wordt; dat bovendien aangenomen dat een beroep op de afgeschafte bepaling geoorloofd is, de alinea alleen betrekking kan hebben op de periodieke verkiezingen en niet op de tussclïentijdsche, daar alleen bij de eerste „het tijdstip waarvoor de verkie¬

zing geschiedt kan worden aangege\en, dat Gedeputeerde Staten de bepaling moeten gelezen hebben als stond er: „het tijdstip waarop de verkiezing geschiedt", wat tot gevolg zou hebben, dat niemand herkozen zou kunnen worden; dat het 2de lid van bovengenoemd art. 61 dus in geen geval op de verkiezing van appellant kan worden toegepast; 2°. dat de meening van Gedeputeerde Staten, dat „één persoon in een zelfde vergadering niet gelijktijdig twee plaatsen kan vervullen", door appellant wordt beaamd, maar dat, vermits hij op 7 September 1897 ophield lid van den Raad te zijn en hij ook eerst op dien dag werd toegelaten , hij in dezelfde positie verkeerde als de aftredende raadsleden, die in Juli 1897 waren herkozen, en dus evenmin als zij twee plaatsen kon vervullen; 3°. dat de conclusie van Gedeputeerde Staten, dat appellant „tijdens hij zitting had in den raad niet voor de vervulling eener andere plaats in dat zelfde college in aanmerking kon komen", juist is, wanneer onder de uitdrukking: ,,vervulling eener plaats in een college" moet verstaan worden „zitting nemen in een college"; dat toch, indien de uitdrukking beteekende verkozen worden,