is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzameling van de sinds 1850 in het Staatsblad opgenomen Koninklijke vernietigingsbesluiten in afdeelingen chronologisch geordend, toegelicht door korte weergave van den inhoud en analyseerende aanteekeningen en voorzien van verschillende klappers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebrekkig zou zijn. In die aanteekening vond de militieraad — niettegenstaande door of van wege dien loteling op den overeenkomstig art. 25 van het Koninklijk besluit van 3 Mei 1862 (Stbl. no. 46) bepaalden eersten zitdag van dien raad geene reden van vrijstelling was ingebracht, noch eenig stuk was ingeleverd, waaruit zou kunnen blijken, dat hij eenig recht op vrijstelling wenschte te doen gelden — toch aanleiding om de afdoening zijner zaak te verdagen tot den dag, waarop uitspraak over alle in de eerste zitting niet afgedane zaken zou worden gedaan.

Op die tweede zitting verscheen de loteling dan ook en werd hij na geneeskundig onderzoek bij uitspraak van den militieraad voor den dienst aangewezen; tevens gaf hij toen voor het eerst te kennen, dat hij ook recht meende te hebben op vrijstelling wegens broederdienst, doch de raad oordeelde, dat hierop niet meer kon worden gelet, wijl geene bewijsstukken daaromtrent waren ingeleverd en den raad te voren van die reden ook niets bekend was.

De vader van den loteling wendde zich daarop tot Gedeputeerde Staten met het verzoek, die uitspraak te vernietigen en zijn zoon alsnog vrij te stellen wegens broederdienst. Bij dat verzoek werden echter geene bezwaren tegen de uitspraak, voor zoover die betrof het geneeskundig onderzoek, aangevoerd. Adressant gaf de redenen aan, waarom niet op de eerste zitting van den raad was gelet en legde alsnog over de stukken, noodig tot staving van het recht op vrijstelling wegens broederdienst.

Daar echter in de eerste zitting van den militieraad geene vrijstelling wegens broederdienst werd verzocht en de aanspraak op zoodanige vrijstelling dus niet werd en ook niet kon worden onderzocht en daar geen bezwaar was ingebracht tegen de uitspraak, voor zoover betreffend de reden als

zou de loteling ge b r e k k i g zijn , hadden Gedeputeerde Staten den adressant in zijn verzoek niet ontvankelijk moeten verklaren krachtens de bepaling sub 1° van art. 98 der militiewet (1861), volgens welke geene bezwaren kunnen worden ingediend tegen eene uitspraak, waarbij een loteling voor den dienst wordt aangewezen , zonder dat door hem eenige reden van vrijstelling is ingebracht. Er kan immers niet worden aangenomen, dat die bepaling de bevoegdheid zou geven, bezwaren in te dienen, als slechts eene reden van vrijstelling is ingebracht, zij het dan ook, zooals in casu , niet te bekwamer tijd , zoodat de uitspraak niet die reden kan betreffen en ook niet betrof.

Gedeputeerde Staten mochten in beroep bovendien geene uitspraak doen over een punt, waaromtrent geene beslissing in eersten aanleg was genomen : door dat wel te doen handelden zij in strijd met een beginsel , dat steeds bij de toepassing der militiewet is gehuldigd en kennelijk de bedoeling van den wetgever is geweest, dat n.l. bij hun college geene nieuwe redenen van vrijstelling kunnen worden ingebracht. Werd toch toegelaten , dat op niet tijdig bij den militieraad ingediende redenen door Gedeputeerde Staten mocht worden beslist, dan zouden belangen van derden ten zeerste kunnen worden benadeeld.

In elk geval kon de militieraad niet op eene gedane uitspraak terugkomen , en al was geene uitspraak gedaan, dan had het opzenden van eene reden van vrijstelling in de tweede zitting toch geen effect kunnen sorteeren, waar zoodanige reden moest worden ingediend in de eerste zitting en dit niet met in achtneming der betrekkelijke voorschriften was geschied; bovendien had de militieraad, al waren ook de noodige stukken aangeboden , niet de beslissing nog tot eene derde zitting mogen uitstellen.