is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzameling van de sinds 1850 in het Staatsblad opgenomen Koninklijke vernietigingsbesluiten in afdeelingen chronologisch geordend, toegelicht door korte weergave van den inhoud en analyseerende aanteekeningen en voorzien van verschillende klappers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij de wet van 16 Junij 183-2 (Staatsblad no. 30), als kramers onder anderen genoemd worden de zoodanigen, die hunne waren in openbare veilingen, buiten hunne winkels, bij koopen van doorgaans beneden de f 25 ieder, doen verkoopen;

dat derhalve tot in het openbaar verkoopen van goederen in geringe hoeveelheden . krachtens de wet patent verkre¬

gen kan worden;

dat volgens al. 2 van art. 2 der wet van 21 Mei 1819 (Staatsblad no. 34), de houder van een patent bevoegd is, het daarin vermeld bedrijf overal uit te oefenen;

dat die uitoefening alleen bij de wet, of bij eene verordening, door Ons goedgekeurd , hetzij bepaald , hetzij voorwaardelijk kan worden verboden;

dat de gemeentebesturen tot het opnemen van zoodanig verbod in hunne

plaatselijke verordeningen mei. uevucgu

zijn; ,

dat mitsdien bovengenoemde verordening voor Hontenisse in strijd is met

de wet; ' .

Den Raad van State gehoord (advies van den 23 Augustus 1850, no. 8).

Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van ou «„„„et»* -1SFUÏ nn.96. 2de afdeeling;

AU rtUpUOlUO -* 1 7

Gelet op art. 140 in verband met art. 133 der Grondwet;

Hebben goedgevonden en verstaan:

de verordening op het houden van openbare verkoopingen, door den gemeenteraad van Hontenisse den 21- Februari] 1841 vastgesteld, te vernietigen.

Onze Minister enz.

'sGravenhage,den30sten Augustusl850.

(get.) Willem.

De Minister van Binnenlandsche Zaken. (get.) Thorbecke.

NO. 2. Koninklijk Besluit van de,n onsten ftemmher 1850 (Stbl.

n°. 74) tot vernietiging van een artikel der ampliatie dd. 7 Maart 1846 van het reglement der gemeente Voorst op het houden van koffie-, wijn- en bierhuizen.

Daar de bedrijven van tapper, koffiehuishouder en dergelijke aan het

recht van patent zijn onderworpen, hebben de tappers enz., wanneer zij houders zijn van een patent overeenkomstig de 2de alinea van art. 2 der patentwet (1819) de bevoegdheid, het bij hun patent vermelde bedrijf overal uit te oefenen, terwijl die uitoefening volgens genoemd art. 2 slechts bij de wet of bij eene door de kroon goedgekeurde verordening mag worden verboden.

Tot het opnemen van zoodanig verbod in eene plaatselijke verordening is de raad dus niet bevoegd.

De bepaling der onderwerpelijke ampliatie, waarbij de verplichting wordt opgelegd, om voor het houden van tapperijen enz., aan burgemeester en wethouders toestemming te vragen, en waarbij dus indirect aan dat college de bevoegdheid wordt gegeven, om de uitoefening van het tappersbedrijf te verbieden, is dan ook in strijd met de wet.

1. onwettige uitoefening van bevoegdheid.

2. met de voorschriften der wet moet worden rekening gehouden;

de uitoefening van bij de wet toegekende bevoegdheid mag niet aan andere dan de daarbij aangewezen macht worden opgedragen.

3. interpretatie van art. L2 der patentwet,

rlnt nrti.kP.l WOrdt Ver-

Ul CUUUC.1 I O WW" —

klaard, in casu niet te zijn in acht genomen; . .

interpretatie van de vernietigde bepaling: indirect wordt daarbij aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven, de uitoefening van het tappersbedrijf te verbieden.

4. de vernietiging is gebaseerd op het neven eener ordening, die bij juiste Qtrpkkinn slechts door

opvuiviny uw*' .7 -

andere macht of in anderen vorm mocht worden gemaakt.

Wij Willem III, enz.

Op het rapport van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van den bden December 1850, litt. E, 2de afdeeling, waarbij de vernietiging wordt voorgedragen van art. 1 der ampliatie op het reglement op het houden van kollij-,