is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzameling van de sinds 1850 in het Staatsblad opgenomen Koninklijke vernietigingsbesluiten in afdeelingen chronologisch geordend, toegelicht door korte weergave van den inhoud en analyseerende aanteekeningen en voorzien van verschillende klappers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

strafbepaling kan worden gewijzigd, terwijl de verbodsbepaling der vroegere wet daarnevens blijft bestaan; interpretatie, waar wordt verklaard, dat eene wet niet door onbruik onverbindbaar wordt.

4. de vernietiging is gebaseerd op het, in strijd met een in de wet neergelegd beginsel, bij plaatselijke verordening nader voorzien in een onderwerp, dat reeds bij eene wet was geregeld, tengevolge van onjuiste opvatting omtrent de verbindbaarheid der betrekkelijke wet.

Wij Willem III, enz.

Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van den 28sten Februarij 1854, no. 175, 2de afdeeling, tot vernietiging eener verordening op het uitroeijen van rupsennesten, door den gemeenteraad van 's Gravenhage in zijne vergadering van den 15den Maart 185.i vastgesteld;

Overwegende, dat het onderwerp, waarin bij deze verordening voorzien wordt, reeds geregeld is door de hier te lande bij de decreten van 8 November 1810 en 6 Januarij 1811 executoir verklaarde wet van 26 Ventóse I\ jaar;

Hnt Ho7p wpt nimmer is afgeschaft

noch door latere voorschriften is vervangen ;

dat wel is waar Iret Wetboek van Strafregt in art. 471, no. 8, straf bedreigt tegen hen, die, waar dit door de wet of reglementen geëischt wordt, nagelaten hebben, velden of tuinen van rupsen te zuiveren, doch dat hieruit alleen is af te leiden, dat de latere wet eene andere straf op dat verzuim heeft willen stellen, doch geenszins dat zij de vorige wet heeft ingetrokken en het onderwerp aan de regeling van plaatse-

lüb-A v£»¥v»rr1onincrpn hfipft OVer£Tel<iten

J . . ,1 . _ 1- u 11.

dat toen ait weiooeK, neiwem ciuaa naar de wetten en reglementen verwijst-, in art. 471, no. 8, bepaald van de wet melding maakt en dus blijkbaar de wet van 26 Ventóse IV jaar voor oogen had;

dat dan ook deze wet en het Wetboek van Strafregt bij dezelfde decreten hier te lande zijn ingevoerd, waaruit volgt, dat de wetgever beide verordeningen gelijktijdig nagekomen wilde hebben;

dat de omstandigheid, dat de wet van 26 Ventóse IV jaar in de provincie Zuidholland niet zou zijn ten uitvoer gelegd,

geen grond kan opleveren, om haar niet meer als verbindende te beschouwen, daar zij niet geacht kan worden alleen

door onbruik te zijn vervanen;

dat bij het bestaan eener wet op het uitroeijen van rupsennesten, het den gemeenteraad van 's Gravenhage, volgens het beginsel van artt. 150 en 151 der Gemeentewet niet vrijstond, in dit onderwerp nader bij plaatselijke verordening te voorzien;

Gelet op art. 153 der Gemeentewet; Den Raad van State gehoord (advies van rlpn 17rien Maait 1854. no. 9);

Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken van den 25sten Maart 1854, no. 182, 2de afdeeling;

Hebben goedgevonden en verstaan: De verordening van den gemeenteraad van 's Gravenhage, op het uitroeijen van rupsennesten, van 15 Maart 1853, te vernietigen.

Onze Minister enz.

's Gravenhage, den 29sten Maart 1 oo i-.

(get.) Willem. De Minister van Binnenlandsche Zaken, (get.) Van Reenen.

NO. 32. Koninklijk Besluit van den 2(jsten April 1854 (Stbl.n0. 72) tot vernietiging van een besluit van den raad der gemeente H elle voetssluis dd. 28 Februari 1854 omtrent het aanbrengen van de jaarwedde van den commissaris van politie op de gemeentebegroot mg.

Uit de bepaling van art. 191, 1ste alinea. der gemeentewet, waarbij

aan den Koning de benoeming van de commissarissen van politie wordt opgedragen, volgt, dat de Koning ook over de noodzakelijkheid van vestiging van een commissariaat van politie heeft te oordeelen.

En waar nu in casu de commissaris door den Koning werd benoemd en zijne jaarwedde met in acht neming der voorschriften van de 2de alinea van genoemd art. 191 werd vastgesteld, handelde de raad