is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzameling van de sinds 1850 in het Staatsblad opgenomen Koninklijke vernietigingsbesluiten in afdeelingen chronologisch geordend, toegelicht door korte weergave van den inhoud en analyseerende aanteekeningen en voorzien van verschillende klappers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a. De bepaling in art. 3 der wet van 13 Juni 1857 (Stbl. no. 72) tot vereeniging der gemeenten Leersum en Darthuizen opgenomen, dat alle bezittingen en lasten der beide gemeenten geheel ten voor-en nadeeie der vereeniging zullen komen, moet geacht worden, ook van toepassing te zijn op de heidegronden van de voormalige gemeente Leersum, daar, zooals uit verschillende handelingen van het bestuur dier gemeente blijkt, de ingezetenen zelve geen recht op die gronden hadden en dus hier geen beroep te pas kan komen op de bepaling van de 3de alinea van art. 130 der gemeentewet, volgens welke bij vereeniging van gemeenten de vruchten, welke de ingezetenen in natura uit een gemeenteeigendom trekken, aan hen, die ze trokken, verblijven.

b. Trouwens deze wetsbepaling zou toch niet rechtstreeks van toepassing zijn, daar zij alleen regelen stelt, waaraan de wetgever, die de vereeniging tot stand brengt, zich heeft te houden.

Uit de omstandigheid, dat dergelijke bepaling niet in de vereenigingswet is opgenomen, terwijl dit wel is geschied in andere dergelijke wetten (bijv. die van 13 April 1854 — Stbl. nos. 30 en 31), moest dan ook worden afgeleid, dat de wetgever in casu het bedoelde recht niet heeft erkend. De raad heeft dus in strijd met de wet gehandeld , door bij het onderwerpelijk besluit een verzoek van de ingezetenen der gemeente, wonende in de afdeeling Darthuizen, om evenals de overige ingezetenen bedoelde heidegronden te mogen beweiden en gebruiken, af te wijzen.

1. onwettige uitoefening van bevoegdheid.

2. a. wetsvoorschriften mogen niet worden toegepast, dan wanneer de voor die toepassing vereischte omstandigheden aanwezig zijn;

b. kennelijk tot leiddraad van den

rijksivetgever dienende voorschriften mogen door den gemeentewetgever niet rechtstreeks worden toegepast; de plaatselijke wetgever mag niet eene beschikking gronden op het bestaan van een recht, dat blijkbaar door den rijkswetgever niet is erkend.

3. interpretatie, waar wordt aangenomen , dat in casu art. 3 der wet van 13 Juni 1851 is geschonden;

a. interpretatie, waar uil de vroeger door het gemeentebestuur genomen besluiten wordt afgeleid, dat in casu niet kan worden gesproken van vruchten, welke die ingezetenen in natura genieten en dus de 3de alinea van art. 130 niet toepasselijk is;

b. interpretatie, waar de regel van de 3de alinea van art. 130 als een leiddraad aan den rijkswetgever wordt gequalificeerd ;

interpretatie, waar uit de omstandigheid, dat de rijkswetgever in de bijzondere wet niet heeft opgenomen een voorschrift als dat van de 3de alinea van art. 130, wordt afgeleid, dat hij een recht als daarbedoeld in casu niet heeft erkend.

4. de vernietiging is gebaseerd op het nemen van een besluit in strijd met eene bij de ivet (nl. de vereenigingswet) gegeven bepaling, door zich te beroepen op een wetsvoorschrift dat niet van toepassing is: a. wijl de daarbij bedoelde omstandigheden niet aanwezig zijn, b. wijl het een voor den rijkswetgever bindend voorschrift bevat, dat door haar in casu niet toepasselijk is gesteld.

Wij Willem III, enz.

Op het rapport van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van den lOden October 1860, no. 139, 2de afdeeling, ten geleide van een voorstel van Gedeputeerde Staten van Utrecht, tot vernietiging van een besluit van den gemeenteraad van Leersum, van 6 September 1859;

Overwegende, dat dit raadsbesluit strekt tot afwijzing van het verzoek van ingezetenen dier gemeente, wonende in de afdeeling Darthuizen, om de gemeenteheiden op gelijke wijze als de overige ingezetenen van Leersum, niet wonende in evengenoemde afdeeling, te mogen beweiden en gebruiken;

dat bij art. 3 der wet van 13 Junij 1857 (Staatsblad no. 72), tot vereeniging